nieuws

Flora- en faunawet heeft forse consequenties ruimtelijke ontwikkeling

bouwbreed

In Cobouw zijn de laatste maanden geregeld artikelen verschenen over de Flora- en faunawet. Opvallend is dat de belangrijkste verandering van de wet sinds de inwerkingtreding in 2002 tot nu toe door geen van de auteurs is genoemd. Het betreft de Algemene Maatregelen van Bestuur ten aanzien van de Flora- en faunawet, die begin 2005 in werking treden. De aanpassingen in deze wet, waarin onder andere de soortsbescherming uit de Habitatrichtlijn in is geïnterpreteerd, kunnen volgens Luc Hoogenstein verstrekkende consequenties hebben voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen.

Tot nu toe is het zo dat geen enkel project, waarbij sprake is van verstoring van beschermde soorten, mag starten voordat een ontheffing van de Flora- en faunawet voor die betreffende soorten is verkregen. Dat klinkt logisch, maar waar het ministerie van LNV (de toetsende instantie) geen rekening mee had gehouden was het enorme aantal aanvragen voor een ontheffing van de Flora- en faunawet. Gevolgen: gefrustreerde ontwikkelaars (vertraging) en een grote stapel aanvragen die men niet binnen een redelijke termijn in behandeling kon nemen. Kortom, een onwerkbare situatie. Er moest dus iets veranderen. Om de Flora- en faunawet beter werkbaar te maken is voor artikel 75 van de deze wet een aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (kortweg: de AMvB) opgesteld. Binnen deze AMvB wordt de stelling, “dat voor alle beschermde soorten ontheffing moet worden verkregen voordat mag worden gestart met de werkzaamheden”, ten dele losgelaten en worden de beschermde soorten in drie tabellen ingedeeld met elk een apart beschermingsregime. Een aantal algemene soorten, de zogenaamde tabel 1 soorten, mag vanaf 2005 bij bepaalde activiteiten worden verstoord zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Voorbeelden zijn de bosmuis, bruine kikker en zwanebloem. Dit betekent dat men ruimtelijke ontwikkelingen onder voorwaarden en zonder ontheffing kan uitvoeren, óók als dit schadelijke effecten heeft voor deze soorten. Dit �algehele pardon� geldt niet voor de overige soorten (tabel 2) en de soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn (rugstreeppad, alle vleermuizen, etcetera), zoals nu ook het geval is. Aan deze lijst is in de AMvB een aantal in Nederland bedreigde dier- en plantensoorten toegevoegd, die geen Europese bescherming genieten maar wél die de LNV wel als waardevol beschouwt. De soorten uit beide bijlagen vormen overigens tabel 3.

Wat blijft is dat voor elk plan duidelijk moet zijn wélke beschermde soorten in een plangebied aanwezig zijn, oftewel: een inventarisatie naar beschermde natuurwaarden, óók als op voorhand de verwachting is dat er alleen tabel 1 soorten in het plangebied aanwezig zullen zijn. De conclusie uit zo�n inventarisatie kan zijn dat er alleen beschermde, maar algemene soorten uit tabel 1 voorkomen en er dus geen ontheffing meer nodig is. Tevens kunnen soorten uit tabel 2 of tabel 3 aanwezig zijn waarmee de sector of ontwikkelaar twee kanten op kan.

Enerzijds kan men, zoals nu ook het geval is, een ontheffingsprocedure opstarten. Anderzijds kan men werken aan de hand van een zogenaamde gedragscode. Deze gedragscode moet door de initiatiefnemer worden opgesteld en door de minister van LNV worden geaccordeerd.

In de gedragscode staat hoe je (zo zorgvuldig mogelijk) moet handelen wanneer bepaalde soorten in een gebied zijn aangetroffen, waardoor schade aan planten- en diersoorten (zoveel mogelijk) wordt voorkomen. Wanneer men zich houdt aan de gedragscode is een ontheffing niet nodig. De Minister van LNV verleent ontheffing van artikel 75 van de Flora- en faunawet. Hierbij geldt voor bepaalde soorten een lichte toets en voor andere soorten een uitgebreide toets. Voor de tabel 3-soorten, waaronder de Habitatrichtlijnsoorten uit bijlage IV, geldt de uitgebreide toets waarbij de volgende voorwaarden gelden: Er is geen alternatief voor de geplande activiteit.; Er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang; De activiteit mag er niet voor zorgen dat de soort in zijn voortbestaan wordt bedreigd. Voor de tabel 2-soorten, exclusief alle vogelsoorten, geldt de lichte toets: alleen de derde voorwaarde.

Voor vogels kan de Minister enkel ontheffing verlenen voor overtreding van artikel 10 (opzettelijk verontrusten) nadat de uitgebreide toets doorlopen is. Als er een door de Minister goedgekeurde gedragscode voorhanden is waarin wordt vermeld hoe verstoring van broedvogels zoveel mogelijk wordt voorkomen, dan hoeft men op basis van deze gedragscode geen ontheffing aan te vragen.

Onderschrijven

Tot nu toe lijkt het een mooi verhaal. Veel bouwprojecten kunnen zonder al te veel omhaal in de toekomst worden uitgevoerd, waarbij alleen de zorgplicht (“voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats”) uit de Flora- en faunawet geldt. De soorten die men het meest aantreft betreffen immers algemene soorten, en die staan in tabel 1. In het geval van tabel 2-soorten is meestal eenvoudig aan te tonen dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. En voor de tabel 2 en 3-soorten kan zelfs een gedragscode worden opgesteld, waarmee ook geen vertragende ontheffingsprocedure moet worden doorlopen. Prachtig allemaal. Of toch niet?

De crux zit hem in de gedragscode. De minister zal een dergelijk document alleen onderschrijven als zijns inziens wordt voldaan aan de randvoorwaarden die nodig zijn om het voortbestaan van de soort in Nederland te garanderen.

Binnen de gedragscodes kunnen bij beschermde rode lijstsoorten zwaardere randvoorwaarden gelden dan voor algemene soorten, terwijl deze op basis van hun voorkomen in respectievelijk tabel 2 of 3 hetzelfde beschermingsregime hebben.

Zo is voor een meerkoet (geen rode lijstsoort) relatief eenvoudig aan te tonen dat de “gunstige staat van instandhouding” niet in het geding komt omdat deze soort in Nederland algemeen is. Maar voor in Nederland bedreigde soorten zoals de grote karekiet en watersnip gaat dit niet op. Voor dergelijke soorten is het noodzakelijk om onderzoek uit te voeren naar de consequenties van het voornemen op de (populatie van de) soort. Mijns inziens is dit terecht, maar het meten met twee maten binnen een beschermingsregime kan leiden tot verwarring en vertraging. De minister kan bijvoorbeeld eisen dat eerst wordt vastgesteld of er wel of geen beschermde rode lijstsoorten ergens voorkomen voordat wordt overgegaan tot het accorderen van de gedragscode.

Ook is niets bekend over de termijn waarbinnen een dergelijke gedragscode wel of niet wordt goedgekeurd. In afwachting op een geldende gedragscode zal een ontwikkelaar dus steeds ontheffing moeten blijven aanvragen. Daarbij blijft de beschermde status van een aantal diersoorten gehandhaafd, waarmee hij weliswaar voldoet aan de Europese verplichting voortvloeiend uit de Habitatrichtlijn maar waarmee een belangrijk �probleem� onopgelost blijft: wat te doen met in Nederland veel voorkomende bijlage lV-soorten?

Het meest notoire voorbeeld betreft de rugstreeppad, een soort die in zandlichamen overwintert en die daarom nogal eens op bouwplaatsen opduikt. Volgens de wet is dan een zware toets van toepassing, terwijl deze soort in Nederland niet zeldzaam is en juist (geschikte) bouwplaatsen opzoekt als deze in de buurt van voortplantingswateren liggen. De enige manier om problemen met rugstreeppadden te voorkomen lijkt vooralsnog het compleet afrasteren van bouwplaatsen met een voor amfibieën onpasseerbaar hekje. Dan is in ieder geval aantoonbaar geprobeerd om te voorkomen dat de soort het bouwterrein betreedt, voor wat het waard is.

Crux zit hem in de gedragscode

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels