nieuws

Overheid geeft gas maar remt tegelijk

bouwbreed Premium

De overheid propageert duurzaam bouwen en stimuleert in dat kader dematerialisatie. Zeg maar: bouwen met minder materiaal. Zo zijn er ook daarmee samenhangende doelstellingen om minder grind uit de rivieren te onttrekken. Ondernemers worden uitgedaagd om innovatieve oplossingen te ontwikkelen en die inspanningen worden als je de weg weet ook met subsidies ondersteund. Jos Lichtenberg vraagt zich af hoe het zit met diezelfde overheid als die innovaties op de markt verschijnen? Is die overheid dan ook bereid om de door haarzelf gestimuleerde ontwikkelingen in haar eigen projecten toe te passen?

De overheid is een grote opdrachtgever in de bouw maar geeft die overheid eigenlijk zelf wel het goede voorbeeld?

Het antwoord is nee. Natuurlijk zijn er incidenteel voorbeelden waar men iets dieper dan gemiddeld gaat, maar in het algemeen blijft de overheid het veilig geachte traditionele pad volgen. Dat is een kwalijke zaak, want dat betekent dat daarmee het dure subsidiegeld dat eerder in innovaties is gestopt wordt verkwanseld. Als je in een auto tegelijk gas geeft en remt blijf je per saldo stilstaan. Dat kan toch de bedoeling niet zijn.

Uiteindelijk zit er bij de Rijksgebouwendienst ook weer een projectleider, die wordt afgerekend op het economisch rendement en daarmee risicomijdend en dus innovatiemijdend gedrag vertoont. Zonder blikken of blozen wordt dit ook toegegeven. Dat de bouwmarkt stroperig functioneert bij de adoptie van innovaties is bekend, maar kennelijk is zelfs de micro economie, die overheid heet, niet in staat om innovatie op soepele wijze te demonstreren.

Als dat de situatie is, zou het dan niet interessant zijn om bij elk overheidsgebouw (en misschien wel elk gebouw) een minimum innovatieniveau verplicht te stellen. Dat kan op allerlei manieren. Naar analogie met een milieueffectrapportage zou je aan een innovatie-effect rapport kunnen denken of je ontwikkelt een score systeem waarbij gebouwen voor minstens 5 procent van de investering uit nieuwe producten moeten bestaan of men kan scoren door gebruik te maken van nieuwe concepten. Dat zou geobjectiveerd kunnen worden door via internet een algemeen beschikbaar dynamisch bestand van innovaties aan te leggen met bijbehorende waarderingen. Ook zou een mogelijkheid tot (hoog) scoren kunnen zijn om aan de realisatie van een gebouw een goed te keuren onderzoek te koppelen. Het gebouw als proeftuin derhalve. Denk bijvoorbeeld aan het toepassen en beproeven van totaal nieuwe producten en systemen. Eigenlijk alles bij elkaar dus een soort Innovatie Prestatie Normering. Natuurlijk moet dat allemaal uitgewerkt worden, maar het gaat om het idee.

Er zijn overigens ook al meetsystemen beschikbaar die vreemd genoeg niet of nauwelijks worden gebruikt. Ik denk bijvoorbeeld aan het door de TU Delft ontwikkelde Flexis (ir. R. Geraedts), waarmee de flexibiliteit van een gebouw objectief gewaardeerd kan worden. Een dergelijk systeem zou in zeer korte tijd een gigantische stroom aan nieuwe kennis opleveren, die vervolgens weer nieuwe innovaties genereert. Wat zou dat een enorme innovatieversnelling (booost) aan de bouw geven. Beschouw het maar als een proefballonnetje.

In ieder geval mag het niet zo zijn dat als je als overheid aan de markt voorhoudt dat deze moet gaan dematerialiseren en dat het met de ontgrinding afgelopen moet zijn, dat je dan als overheid zelf gewoon doorgaat met het realiseren van discutabele en extreem zware gebouwen. Er zijn twee opties: 1: Roep dat soort dingen niet of 2: als je ze roept volg dan consequent je beleidslijn.

Een schoolvoorbeeld van de plank mis slaan wordt mijns inziens gevormd door de te bouwen �Jubi torens� in Den Haag. Het betreft de nieuwe huisvesting voor de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken (u weet wel dat ministerie van minister Remkes, die in zijn vorige functie bij VROM het IFD bouwen heeft aangemoedigd). Een vraag die zich allereerst opdringt komt voort uit het omgaan met bouwmassa. De nieuwe torens komen namelijk op de locatie van de Zwarte Madonna, de spraakmakende woontoren van Carel Weeber, die het helaas niet meer dan 25 jaar heeft uitgehouden. Dat zou dus al gevoelig moeten liggen. Er moeten immers woningen waar we er te kort van hebben, wijken voor kantoren waaraan in Nederland juist een gigantisch overschot (bijna 5 miljoen m2) bestaat.

Als je dan even over die discussie heen stapt valt als je het ontwerp van Hans Kollhof bestudeert, direct op dat het gebouw extreem zwaar wordt uitgevoerd. Vloeren van maar liefst 800 kg/m2 zijn toch echt niet meer te rijmen met de dematerialiseringsdoelstellingen die die zelfde overheid heeft afgekondigd. Ter vergelijk: Normaal liggen vloeren op 500 à 600 kg/m2 en dat wordt al veel te zwaar gevonden en terecht, want het is ook veel meer dan nodig is.

Bedenk dat het vloergewicht ook weer door een zwaardere constructie en fundering gedragen moet worden. En er zijn diverse in de markt beschikbare lichtgewichtoplossingen die mede met overheidsgeld zijn ontwikkeld en daarvan hebben sommige zich ook al in de praktijk ruimschoots bewezen. In dit geval lijkt de overheid in ieder geval last te hebben van het �not in my backyard� syndroom. Dat is een typisch geval van het verkeerde voorbeeld geven. In ieder geval voor innovators in het veld ronduit een domper.

Prof.dr.ir. J.J.N Lichtenberg is hoogleraar productontwikkeling aan de TU/e faculteit Bouwkunde. Voorts treedt hij op als innovatieadviseur bij bedrijven werkzaam in de bouw en is hij als partner verbonden aan A+, bureau voor bouwproductontwikkeling bv

Ontwerp Jubi-torens is schoolvoorbeeld

van de plank mis slaan

Reageer op dit artikel