nieuws

Herdefiniëring interieurarchitectuur noodzakelijk

bouwbreed Premium

Bij het ontwerpen en inrichten van woningen lijkt de rol van de interieurarchitect uitgespeeld, betoogde architect en interieurarchitect Han de Kluijver in het artikel �Positie interieurarchitectuur is onduidelijk� Cobouw, 6 januari 2004 (nummer 1). Dat komt onder meer door de standaardisering van interieurontwerpen. Bovendien lijken opdrachtgevers geneigd het eerst te bezuinigen op de inrichting van […]

Bij het ontwerpen en inrichten van woningen lijkt de rol van de

interieurarchitect uitgespeeld, betoogde architect en interieurarchitect Han de Kluijver in het artikel �Positie interieurarchitectuur is onduidelijk� Cobouw, 6 januari 2004 (nummer 1). Dat komt onder meer door de standaardisering van interieurontwerpen. Bovendien lijken opdrachtgevers geneigd het eerst te bezuinigen op de inrichting van een gebouw en te kiezen voor goedkopere standaardoplossingen.

Toch ziet De Kluijver nieuwe kansen.

Hoewel interieurarchitectuur traditioneel wordt opgevat als een volgzame discipline ten opzichte van de architectuur, wijzen eerder genoemde eisen – wonen en werken in elkaars verlengde, de woning als rustpunt en een persoonlijk en aanpasbaar interieur – op een noodzakelijke omkering in deze zienswijze.

Het interieurontwerp kan een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van persoonlijke, veranderbare en op maat gesneden interieurs en van daaruit geredeneerd van het eigenlijke ontwerp van het huis. Aldus krijgt ze iets van haar centrale positie terug en kan bovendien een tegenwicht worden geboden aan de hedendaagse commerciële context van het wonen.

Een aansprekend en vroeg voorbeeld van de invloed van interieurarchitectuur op de architectuur is het Cilinder huis en studio dat de Russische architect Konstantin Mel�nikov in 1927 in Moskou realiseerde. Het ontwerp bestond uit twee tegen elkaar staande cilinders. De laagste maakt een tamelijk gesloten indruk, de omgeving als het ware op afstand houdend. Hier bevonden zich de woonvertrekken van de familie Mel�nikov.

In de hoogste zijn echter als in een honingraat zeskantige ramen opgenomen, die juist de verbinding tussen buiten- en binnenwereld, openbare ruimte en het privé domein tot stand brengen. Het interieur, de studio van Mel�nikov, wordt gedomineerd door de werktafel van de architect. Verder wordt de ruimte vooral gevuld door de bijzondere lichtinval via de drie rijen ramen.

Onduidelijk

Wat betreft openbare gebouwen in de stedelijke context: kleinschalige publieke gebouwen moeten bestand zijn tegen veranderingen in gebruik. Ondanks deze opgave van neutraliteit kunnen ze van grote invloed zijn op de publieke betekenis van de plek.

Een strategie is het gebouw een dusdanige herkenbaarheid te geven dat het zich vanzelf nestelt in het publieke geheugen. Bij gebouwen is flexibiliteit en neutraliteit vereist. Het programma is immers aan verandering onderhevig. Scheiding en verbinding tussen verschillende functies zijn belangrijke ontwerpthema�s. Daarin kan de interieurarchitectuur een belangrijke rol spelen.

De rol en betekenis van de interieurarchitectuur in het ontwerpproces is echter lang niet altijd duidelijk en vanzelfsprekend. De ene keer wordt een discipline aangesproken op haar expertise op het gebied van materialen en interieurproducten bij de inrichting van een gebouw. Dan weer wordt haar gevraagd functionele of flexibele ruimtelijke concepten uit te werken binnen de bestaande architectuur.

Het ontwerpen van interieurs heeft dus een onduidelijke status. Het is heel gebruikelijk dat men pas over het interieur gaat nadenken wanneer het gebouw zo goed als gereed is. Slechts in uitzonderlijke gevallen is het interieur een integraal onderdeel van het totale concept.

Taakinvulling

In de Nederlandse context zijn zowel het overheidsbeleid als de architectonische discipline sterk gericht op de wijze waarop gebouwen zich manifesteren in de stedelijke of landschappelijke context. Het collectieve belang gaat immers boven het particuliere en �dus� zijn gevels belangrijker dan wat zich daarachter bevindt. Bovendien wordt aan exterieurs een meer blijvende rol toegekend dan aan de interieurs. Dat komt ook tot uiting in de verdeling van de budgetten. Deze opsplitsing tussen exterieur en interieur is niet altijd effectief.

Enerzijds is de houdbaarheid van exterieurs afgenomen. Veel naoorlogse gebouwen worden gestript en van nieuwe gevels voorzien in overeenstemming met de nieuwe eisen ten aanzien van comfort en esthetiek. Anderzijds worden er hogere en gedifferentieerdere eisen gesteld aan interieurs, zelfs als deze tijdelijk zijn.

Ruimte en licht zijn wezenskenmerken van elk interieur. De eisen en wensen van de bewoner/gebruiker van een nieuwe woning of bedrijfspand liggen aan de basis van de ruimtelijke organisatie in het ontwerp. Wellicht dat daar een nieuwe invulling van de taak van de interieurarchitect ligt. In nauwe samenwerking met de architect zou hij ligging, afmetingen, omvang en vormen van de verschillende binnenruimten moeten meebepalen en – minstens zo belangrijk – hoe, waar en in welke mate licht wordt binnengelaten.

Een interieur heeft uiteraard ramen en deuren; de interieurarchitect zou een zware stem moeten hebben in de plaatsing en afmetingen ervan. Want zoveel is wel duidelijk: ruimtelijkheid en lichtintensiteit zijn van grote invloed op het interieurontwerp. Daarop zou de interieurarchitect zich aan de zijde van de architect al vroeg in het ontwerpproces van een nieuw bouwwerk kunnen concentreren. Dan wordt de positie van de interieurarchitectuur vanzelf veel duidelijker en het ontwerp van buiten- en binnenkant van een gebouw veel meer een organisch geheel. Een zich door zijn architectuur onderscheidend gebouw verdient een daarbij passende, unieke interieurarchitectuur.

Een belangrijk deel van het werk van de architect is het verrichten van studies en ontwerponderzoek binnen de vage grenzen van soms al even vage besluitvormingsprocessen. Hierbij is het ontwerp niet het belangrijkste, maar moet het werk resulteren in een evenement. Interieurarchitecten zullen dus moeten leren samenwerken met andere disciplines – de architectuur voorop, maar ook met bijvoorbeeld de planologie – waarbij kennis en kunde worden uitgewisseld.

De praktijk zal in dat geval sterk worden verbreed en niet meer uitsluitend gericht zijn op het bouwen �pur sang�. De inbreng van een vernieuwde interieurarchitectuur gaat dan immers veel verder: van stoel tot stad.

Reageer op dit artikel