nieuws

Exotische metalen in grond voorlopig gedoogd

bouwbreed

den haag ­ De grondbranche hoeft zich voorlopig niet meer het hoofd te breken over exotische metalen als antimoon en molybdeen. Ook hergebruik van baggerspecie wordt door de vrijstellingsregeling die vijf jaar geldt, een stuk gemakkelijker. Op basis van fundamenteel onderzoek wordt na die termijn het Bouwstoffenbesluit aangepast.

Daarmee lijken problemen met het hergebruik van lichtverontreinigde grond, gereinigde grond en soortgelijke bouwstoffen van de baan. Kern van de problemen van de afgelopen tijd is volgens A. Orbons van ATM het verschil tussen de Wet bodembescherming en het Bouwstoffenbesluit. Die hanteren verschillende analysemethoden en streefwaarden. Grondreinigers en saneerders baseren zich bij hun activiteiten op de eerste wet, die hen dwingt naar acht metalen te kijken. Zodra dergelijke materialen echter worden hergebruikt is ineens het Bouwstoffenbesluit van toepassing, dat de handhavers gebiedt om ook naar antimoon, seleen, vanadium, fluoride en nog een handvol sporenmetalen te kijken.

Niet sporadisch

Sinds de inwerkingtreding van het Bouwstoffenbesluit is bovendien gebleken dat veel van die sporenelementen helemaal niet zo sporadisch voorkomen als gedacht. Uitgangspunt voor het Bouwstoffenbesluit was een standaard bodemmengsel dat halverwege de jaren negentig door chemicus Edelman is geanalyseerd. Een grondmonster genomen ergens op de Veluwe, was sindsdien de maatstaf waarlangs alle andere partijen grond in Nederland werden gelegd. In honderd jaar tijd mochten de toegepaste bouwstoffen slechts een marginale bodembelasting teweegbrengen van niet meer dan 1 procent. Maar dat standaardmonster bleek helemaal niet representatief; in het hele land liepen aannemers en grondreinigers tegen problemen aan. Grond die ze hadden gereinigd mochten ze niet meer hergebruiken, omdat het gehalte van een of ander exotisch metaal veel te hoog was. In het Westland bleek standaard veel molybdeen in de bodem voor te komen; in de kop van Noord­Holland trof men opvallend veel seleen aan, terwijl in heel Nederland fluoride een probleem opleverde, gemeten naar het Edelman­onderzoek.

In de verhitte discussie die leidde tot het instellen van een tijdelijke vrijstellingsregeling, hebben marktpartijen als Vianed, BOG en Nederlandse Vereniging van Procesmatige Grondreinigingsbedrijven (NVPG) aangeboden voor eigen rekening achtergrondwaarden te bepalen. Dat doen ze door bij het in­ en uitkeuren van aangeboden partijen ook naar de exoten te kijken. De daarvoor benodigde uitlogingsproeven zijn tijdrovend en duur. Zelf kijkt de overheid nog eens goed naar de zogenaamde samenstellingswaarden, die met eenvoudiger chemische analyses kunnen worden bepaald. Binnen vijf jaar moeten die onderzoeken informatie opleveren op basis waarvan het Bouwstoffenbesluit verantwoord kan worden aangepast.

Politiek ligt de maatregel gevoelig volgens directeur L. Bijlsma van de NVPG, aangezien het kabinet sterk heeft ingezet op anti­gedoogbeleid. Maar in de praktijk liepen aannemers tegen zulke rare problemen op dat andere overheidsdoelstellingen in het geding kwamen. Omdat veel bouwstoffen moesten worden gestort, moest er een sterker beroep worden gedaan op de primaire grondstoffen. Staatssecretaris Van Geel (VROM) besefte dat het hergebruik volledig dreigde te stagneren en besloot daarom tot de vrijstellingsregeling. Die moet echter nog door Brussel worden goedgekeurd, wat vermoedelijk niet voor 1 april 2004 lukt. Om geen tijd verloren te laten gaan is vooruitlopend daarop een circulaire rondgestuurd, die gemeenten en provincies aanspoort de overschrijdingen tot die tijd te gedogen.

Baggerspecie

Ook hergebruik van baggerspecie wordt door de vrijstellingsregeling en de gedoogbeschikking een stuk gemakkelijker. Bagger bevatte volgens het Bouwstoffenbesluit vaak een te hoog gehalte aan minerale olie. Vooral de zwaardere fractie koolwaterstoffen is ruim in baggerspecie vertegenwoordigd. Maar het zijn de lichte en vluchtige verbindingen van de minerale olie die giftig zijn en het milieu schade toebrengen, schrijft de staatssecretaris in een toelichting op het besluit. Daarom is besloten dat baggerspecie niet langer 500 maar 2000 milligram minerale olie per kilogram droge stof mag bevatten.

Hier ligt meteen een handhavingsprobleem waarschuwt Orbons, want juridisch is er weinig verschil tussen zand dat wordt gewonnen uit baggerslib en zand afkomstig uit een natte winput dat nog altijd aan de strenge eisen moet voldoen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels