nieuws

Cultuurtorens tussen kantoren

bouwbreed

Cultuurtorens tussen kantoren

Zo’n gek idee was het helemaal niet van wethouder Hannah Belliot in Amsterdam: verplaatsing van de nieuwbouw van het Stedelijk Museum naar de Zuidas, de plek waar de ene na de andere prestigieuze kantoortoren verrijst. Natuurlijk, dat is een breuk met de traditie. Nu liggen musea steevast in historische buurten of in rustiek landelijk gebied, denk aan het Gemeentemuseum in Den Haag of het Kröller­Müller op de Hoge Veluwe. Kunst in combinatie met statige rust, met allure van de oude stempel.

Maar waarom geven we kunst niet een veel prominentere plek in het moderne leven? Waarom niet systematisch musea plannen op nieuwbouwlocaties, midden tussen de kantoortorens, om zo de aansluiting te maken tussen de rustige binnenwereld van de musea en de dynamische buitenwereld van het moderne grootstedelijke leven.

Toen Belliot haar plan lanceerde, stond heel Amsterdam op z’n achterste benen. Het idee werd prompt afgeschoten. Museumdirecteur Rudi Fuchs moest niets van zulke nieuwlichterij hebben. ‘Musea zijn er voor een minderheid,’ ventileerde hij als zijn credo. Een fijnproevende minderheid die daar in een rustige ambiance van kan genieten. Welnu, de bezoekersaantallen zijn ernaar: al jaren zit het Stedelijk in een dalende spiraal. Daarom is het juist een veelbelo­ vende richting om nieuwe musea of dependances van bestaande musea welbewust op nieuwbouwlocaties te plannen. Zo kunnen deze plekken in één klap de benodigde allure krijgen ­ en het museum de broodnodige bezoekersaantallen. Er valt te denken aan kantorenloca­ ties zoals de Zuidas, Hoog­Catharijne of Vleuten­De Meern. Of aan vervoersknooppunten als Schiphol en de stations van de hogesnelheidstrein.

Een goed voorbeeld is de South Bank in Londen, de zuidelijke oever van de Theems die decennialang een desolaat oord was met vervallen havenactiviteiten. Nu prijken hier allerlei moderne gebouwen waar de bezoeker kan genieten van concerten, theater en moderne kunst. Langs het water loopt een wandelpromenade met grootstedelijke allure. En dit alles combineert zich naadloos met wonderschoon industrieel erfgoed zoals het Battersea Power Station.

Of neem de geplande nieuwbouw van het Guggenheim Museum in New York. Dit beroemde museum voor moderne kunst liet architect Frank Gehry een ontwerp maken voor een locatie aan het water, vlakbij de wolkenkrabbers van Manhattan. Ook hier gaat het om een te herontwikkelen oud havengebied, waarbij het museum ­ dat tienmaal zo groot zal worden als het huidige Guggenheim aan het Central Park ­ voor de aanzuigende werking moet gaan zorgen. Het ontwerp voorziet in een gebouw met golvende lijnen, organisch aansluitend bij het omringende water en de wolkenluchten. Tegelijk is er een veertig verdiepingen tellende toren in opgenomen om de aansluiting te creëren met de bonte verzameling wolkenkrabbers van Wall Street.

In Nederland is het Groninger Museum een voorbeeld van gewaagde museale nieuwbouw. Bedoeld om de meest noordelijke provincie van Nederland een impuls te geven, zit dit museum inderdaad sterk in de lift qua bezoekersaantallen. De helft van het succes zit ‘m al in de gedurfde architectuur op een gedurfde locatie, half op het water. Die kant moet het op: musea als durfallen om kleurloze locaties te voorzien van allure. Nu nog het Van Gogh naar de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam en het Frans Hals naar het geherstructureerde stationsgebied in Zaandam ­ komt het in een klap goed met deze verloren oorden.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels