nieuws

Toezichthouder bespeurt zelfgenoegzaamheid

bouwbreed

naarden ­ De kwaliteit van de cijfers die woningbouwcorporaties in hun jaarverslagen bekendmaken is niet goed. Dat vindt directeur Jan van der Moolen van het Centraal Fonds Volkshuisvesting. Slordigheid bij de rapportage en het niet vermelden van belangrijke informatie maken de financiële controle van de instellingen volgens de toezichthouder moeilijk.

Corporaties slordig met cijfers “Ze vullen soms gewoon de vragenlijst in. Maar ik wil weten wat het beleid is.” Van der Moolen verzamelt de financiële gegevens van corporaties. Om zijn rol als toezichthouder te kunnen vervullen heeft hij de informatie nodig. De slordig ingevulde formulieren baren Van der Moolen dan ook zorgen. “Als corporaties zo met gegevens omgaan, faalt niet alleen het interne maar ook het externe toezicht. Ik bespeur een zekere zelfgenoegzaamheid.” De voormalige corporatiedirecteur is er niet van overtuigd dat zijn voormalige collega’s altijd even doortastend te werk gaan. Vooral bij het contact met de raad van commissarissen of toezichthouders ­ de naam van het bestuursorgaan verschilt per corporatie ­ gaat het niet altijd goed.

Cruciaal

“Soms hoor je van een directie die het niet voor elkaar krijgt om voor een belangrijke beslissing de raad van commissarissen bij elkaar te krijgen. Dat kan dus niet, dan is er iets mis. De relatie tussen de directeur en de voorzitter van de raad van commissarissen is cruciaal.” Goed bestuur staat of valt volgens Van der Moolen met een goede samenwerking tussen de directiekamer en de interne toezichthouders.

Naast miscommunicatie in de top, beperkt een onduidelijke financiële verslaggeving het toezicht. Het ministerie van VROM schrijft voor hoe corporaties hun financieel jaarverslag op moeten stellen. De grote invloed van Den Haag hangt samen met het feit dat corporaties de jaarcijfers bij het ministerie moeten inleveren. Om een beetje structuur in de informatiebrij te krijgen, geven de rijksambtenaren aan op welke manier de gegevens aangeleverd moeten worden.

Hoewel door de overheid goedgekeurd, is Van der Moolen niet gelukkig met de boekhoudregels die gehanteerd worden. Daarbij stoort hij zich het meest aan de onduidelijkheid rond het verlies dat op de verhuur van woningen wordt gemaakt, en de winst uit de verkoop van nieuwe en oude huizen. “Die posten worden door corporaties vaak gesaldeerd, waardoor niet meer is na te gaan wat er precies is gebeurd”, legt hij uit.

Heikel punt

Het tegen elkaar wegstrepen van de inkomsten uit verkochte woningen en het verlies op de verhuur van woningen is een heikel punt, omdat commerciële en maatschappelijke belangen zo door elkaar gegooid worden. Om de onrendabele top van een huurwoning ­ een bedrag dat kan variëren van 20.000 tot 80.00 euro ­ te kunnen betalen, verkoopt een corporatie woningen. Het aanbod bestaat uit voormalige huurwoningen en nieuwbouw. Wanneer inkomsten en uitgaven op één hoop worden gegooid, blijft onduidelijk welk geld precies waar wordt uitgegeven. En dat is nu precies wat het Centraal Fonds Volkshuisvesting wil weten. “‘We zijn toch goed bezig’, verdedigen corporaties zich meestal als ik ze op de blinde vlekken wijs”, vertelt Van der Moolen. Maar de CFV­directeur neemt daar geen genoegen mee. Als het aan hem ligt, worden de commerciële en de maatschappelijke activiteiten van corporaties in de toekomst in aparte organisaties ondergebracht.

De geldstromen worden dan vanzelf helder. Van der Moolen: “Het gaat om de feiten. En daar is niets mis mee.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels