nieuws

Schone grond onder de loep

bouwbreed Premium

In deze rubriek aandacht voor het Bouwstoffenbesluit (Bsb). Het betreft uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ( 9 oktober 2002 zaaknr. 200205145/2 en van 11 september 2002 zaaknr. 200104872/1). De eerste ging over de toepassing van verhardingsmateriaal en de tweede over de toepassing van schelpen; in de eerste zaak was aan […]

In deze rubriek aandacht voor het Bouwstoffenbesluit (Bsb). Het betreft uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ( 9 oktober 2002 zaaknr. 200205145/2 en van 11 september 2002 zaaknr. 200104872/1).

De eerste ging over de toepassing van verhardingsmateriaal en de tweede over de toepassing van schelpen; in de eerste zaak was aan de orde of er schone grond was gebruikt terwijl er wel vooraf was gemeld hetgeen inconsequent is omdat er voor gebruik van schone grond geen meldingslicht geldt; in de tweede zaak was de vraag of wel genoegzaam bewezen was dat de schelpen �schone grond� waren.

Dwangsommen

Het bevoegde gezag in de eerste zaak, B&W van Ouder-Amstel, werd in beroep aan de tand gevoeld of het terecht handhavend had opgetreden tegen het toepassen van een bouwstof. Het College had dwangsommen opgelegd aan een bedrijf dat verhardingsmateriaal had toegepast op een perceel. Het ging om een mengsel van grond, puin, gravel en asfaltgranulaat.

Volgens B&W waren er drie redenen voor het opleggen van de dwangsommen gecombineerd met een aanzegging tot verwijdering:

� er zou geen correcte melding zijn gedaan (althans niet de gegevens zijn verstrekt die bedoeld worden in art, 11 lid 7 Bouwstoffenbesluit);

� er zouden geen of onvoldoende gegevens zijn bepaald over immissie- en samenstellingswaarden, (conform art. 9 lid 1 t/m 6);

� er zou niet aan de terugneembaarheidseis zijn voldoen (conform art. 10).

Wat betreft de meldingsplicht overweegt de Afdeling dat het bedrijf niet het voor meldingen bestemde meldingsformulier had gebruikt en aan de hand van de daarbij behorende toelichting de melding had gedaan. Mede gebaseerd op het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting concludeert de Afdeling dat het bedrijf dus niet de benodigde gegevens heeft verstrekt en dat het bevoegd gezag derhalve bevoegd was tot handhaving terzake van dit aspect.

Aan de terugneembaarheidseis was volgens de Afdeling wel voldaan: het bevoegd gezag vond van niet omdat geen duidelijke scheiding tussen materiaal en ondergrond was aangebracht. Volgens de gebruiker hoefde dat niet omdat geen gevaar voor vermenging bestond omdat de ondergrond veenklei was. Dat kwam de Afdeling niet onlogisch voor en het besluit werd om die reden vernietigd.

Het aspect betreffende de gegevens van samenstelling en immissie van de gebruikte stoffen is juridisch meer interessant. De gebruiker van de bouwstoffen stelde dat hij gegevens had verstrekt van analyses en gegevens van instanties die de onderzoeken had uitgevoerd en daarmee had voldaan aan art. 9. Uit die analyses zou geconcludeerd moeten worden dat er schone grond was toegepast.

Dit standpunt is opmerkelijk. Als er sprake is van de toepassing van schone grond behoeft immers niet te worden gemeld en behoeft ook de samenstelling en immissie niet te zijn bepaald conform artikel 9. Uit het verhandelde ter zitting volgt niet dat de gebruiker hierop een beroep heeft gedaan, in tegendeel, hij bepleitte aan artikel 9 te hebben voldaan.

De Afdeling is er blijkbaar evenmin vanuit gegaan dat er mogelijk met schone grond gewerkt was en overwoog enkel droogjes dat �uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellant alle gegevens over de immissie- en samenstellingswaarden heeft overgelegd�.en dat aan art. 9 is voldaan�. Dus overtreding artikel 9.

Hierbij past de kanttekening dat artikel 9 Bsb niet voorschrijft dat gegevens moeten worden verstrekt (dat doet immers art 11) maar enkel dat gegevens moeten zijn bepaald.

Het verschil tussen verstrekken en bepalen komt onvoldoende uit de verf.

Op 11 september 2002 deed de Afdeling een uitspraak in een geschil waar eveneens de vraag aan de orde was of de juiste gegevens ex art. 9 waren bepaald. Het ging om een verzoek om handhaving van een derde partij die ernstig twijfelde of niet schelpen met een te hoog chloridengehalte in kruipruimten waren toegepast. De gebruiker beriep zich er op dat het om schone grond ging. Het bevoegde gezag ging met de stelling van de gebruiker mee en vroeg dan ook niet om gegevens ex artikel 9, maar stelde zich op het standpunt dat de gebruiker alleen aan artikel 5 behoefde te voldoen, het voorhanden hebben van gegevens en het op verzoek ter beschikking stellen daarvan.

Eerst stelt de Afdeling vast dat toepassing van schelpen als isolatiemateriaal in kruipruimten beschouwd moet worden als toepassing van grond buiten een gebouw. Dus was het Bouwstoffenbesluit van toepassing.

Voorts oordeelde de Afdeling dat het bevoegd gezag er op grond van de voorhanden rapportage redelijkerwijs vanuit had mogen gaan dat het ging om schone grond. In dit geval was een onderzoek ex artikel 5 lid 2 niet nodig en het feit dat gegevens waren verstrekt die niet afkomstig waren van een gecertificeerd bureau werd evenmin relevant geoordeeld.

Wanneer er discussie bestaat of er schone grond is toegepast of niet, moeten partijen derhalve goed letten op de toepasselijke verplichtingen ter zake en daar ook een beroep op doen.

Indien het bevoegd gezag meent dat er geen schone grond is toegepast, zal zij wijzen op de verplichtingen van artikel 9 en 11, het melden van de toepassing en het bepalen en verstrekken van gegevens over samenstelling en immissie. Indien de gebruiker het standpunt huldigt dat er wel degelijk schone grond is toegepast, dan moet hij niet verklaren dat hij aan artikel 9 en 11 heeft voldaan, maar stellen dat hij daar niet aan behoefde te voldoen omdat deze artikelen bij de toepassing van schone grond niet gelden.

Het is zeer teleurstellend dat de Afdeling niet veel strenger heeft toegezien op de kwaliteit van het onderzoek en het betrokken onderzoeksbureau. Als een gebruiker niet volgens de wet onderzoek laat doen dient dat gevolgen te hebben voor de kracht van de bewijsvoering. Anders kun je onderzoek beter niet voorschrijven.

Mr. B.J.M. Veldhoven en mr.drs. J.C. Ozinga zijn advocaten in Den Haag, gespecialiseerd in het milieurecht en het Bouwstoffenbesluit (veldhoven@oag.nl).

Reageer op dit artikel