nieuws

De plek van het bestemmingsplan Het debat

bouwbreed

De beperkte houdbaarheid van bestemmingsplannen zorgt voor een enorme druk en geldverslindende acties. Vertragingen door te krampachtige regelgeving en bezwaarhobbyisten kosten de maatschappij jaarlijks handenvol geld. Dat moet volgens Joost Dolhain beduidend anders. Het gaat dan om de vraag wat we werkelijk vooraf moeten regelen, en waarom. Het bestemmingsplan als juridische drager, en document van de grote lijnen.

In de ontwikkeling van een ompaald gebied tot een definitieve functie, waaronder wonen, zit een groot aantal keuzes. Deze keuzes worden bepaald door het doel, maar kunnen ook worden bepaald door de omgeving. Een watergebied zal een andere keuze opleveren dan bouwen onder de startbaan van een vliegveld of in het bos.

De beperking van de omgeving vormt een uitdaging voor de verruiming van het denken. Daarbij komen wij een aantal besluitperiodes tegen, die van invloed zijn op het uiteindelijke gebruik. Deze besluitperiodes zijn achtereenvolgens gericht op bestaande omgeving, structuurschets, bestemmingsplan, uitwerkingsplan, stedebouwkundig plan, bouwstructuur, functie, indeling.

Het huidige bestemmingsplan is veelal gedegenereerd tot een stedenbouwkundige tekening van een gebied. De meeste bestemmingsplannen hebben een beperkte houdbaarheidsdatum en bij vele is zelfs deze datum al overschreden. De snel veranderde maatschappij heeft een meegroeiende stedenbouwkundige onderlegger nodig, met een flexibel bestemmingsplan. Neem het stedelijk weefsel van Barcelona. Het is enerzijds star, maar wel zeer dynamisch. Een zeer simpel bestemmingsplan beschermt de kwaliteiten van het gebied.

Het bestemmingsplan als juridisch regelelement moet weer terug naar haar oude positie op de ladder van de besluitvorming. Vlak achter de structuurschets.

De huidige stedenbouwkundigen en politici zijn regelneven, die het natuurlijk groeiproces uit het oog hebben verloren. Zij misbruiken het stedenbouwkundig plan, als juridische basis. Maar bestemmingsplannen zijn bedoeld om bepaalde waarden binnen een gebied te beschermen. Het denken in grote lijnen moet weer terugkomen.

De basis voor een bestemmingsplan moet weer de structuurschets met vlekken, accenten profielen en percentages zijn, met daarbij een omschrijving van het stedelijk weefsel, (zie SAR 73, het methodisch formuleren van afspraken bij het ontwerpen van stedelijke weefsels en Aap, noot mies, de dragers en de mensen Habraken) .

Door het juridisch verantwoord omschrijven van deze kwaliteiten, kan een toekomstvast bestemmingsplan worden gemaakt, dat levend blijft en zich aanpast aan de veranderende structuur. De mooiste structuren zijn ontstaan vanuit de vrije keuze, en niet vanuit een 5. 40 meter verkaveling met vastgelegde voor- en achtertuin. Binnen de hoofdlijnen, die in een bestemmingsplan worden vastgelegd, is de discussie over wat wel mag en niet mag eenvoudiger en minder aan bezwaarschriften onderhevig.

De noodzaak om iedere tien jaar het bestemmingsplan te vernieuwen verdwijnt. Het uitwerkingsplan (de stedenbouwkundige schets) is dan de uitwerking van het weefsel. Het stedenbouwkundig plan is niet de basis van het bestemmingsplan, maar ontstaat vanuit de interactie tussen bestemmingsplan en de ruimtelijke kwaliteit van het bouwkundig ontwerp. Het gebouw is dan weer de basis, waarmee de ruimtelijke omgeving wordt vormgegeven. Het stedelijk of landschappelijk weefsel is bovendien het instrument om met meerdere ontwerpers een samenhang te vinden. Vanuit die samenhang komt de interactie met de flexibele drager.

Het bestemmingsplan moet weer haar juiste plek binnen de maatschappij krijgen.

De meegroeiende juridische drager, die in staat is om gedurende een levensloopcyclus van een gebied, modern en actueel te blijven. Vanuit deze gedachtegang is een bestemmingsplanwijziging niet meer noodzakelijk, omdat binnen de omschreven stedenbouwkundige weefsels de bebouwing zich kan aanpassen aan de veranderende maatschappij. Alleen bij excessen moet er nog actie worden gevoerd. Maar dan gaat het over de wezenlijke discussie of de aantasting, en vaak verminking, van het bestaande weefsels wenselijk is.

Op 20 november 2003 heeft in de vorm van een debat �een ketenoverstijgende gedachtewisseling over samenwerking in de bouw� plaats. Directievertegenwoordigers van opdrachtgevers, projectontwikkelaars, architecten, corporaties, afbouwbedrijven, installateurs, aannemers, beleggers en branche organisaties gaan dan met elkaar in discussie.

Oorspronkelijk is het debat een initiatief van het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (HAO). Het Hoofdbedrijfschap heeft Jeanet Hacquebord van Bouwpraktijkinnovatie gevraagd het thema vanuit verschillende invalshoeken uit te werken en spraakmakende deelnemers uit te nodigen. De eerder geplaatste visies op de opiniepagina hebben reeds vele reacties losgemaakt, en daarmee de discussie geopend. Dit artikel van ir. Joost Dolhain, is een van die reacties.

Voor de goede orde dient te worden vermeld dat ondanks de voorgenomen opheffing van het HAO het debat gewoon zal doorgaan. De namen van de deelnemers zijn te vinden op de website van het HAO (hao.nl/debat). Voor meer informatie: Jeanet

Hacquebord (jha@bouwpraktijkinnovatie.nl).

Stedenbouwkundigen en politici zijn regelneven

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels