nieuws

Aanpassing bouw­cao noodzakelijk om te kunnen voortbestaan

bouwbreed Premium

Binnenkort begint de discussie over de toekomst van de arbeidsvoorwaarden in de bouwnijverheid. Tijdens de laatste cao­onderhandelingen zijn werkgevers en werknemers overeengekomen de paritaire werkgroep Toekomst Arbeidsvoorwaarden Bouwnijverheid in te stellen. In wezen spitst de discussie zich toe op de vraag of er nog toekomst is voor de cao in de bouwnijverheid. Werkgevers menen van wel (ook al wordt wel eens anders gereageerd), mits er binnen afzienbare tijd ruimte is voor een aantal noodzakelijke veranderingen. Ton Hokken geeft zijn visie op die veranderingen.

Arbeidsvoorwaardenvorming maakt de laatste jaren een ontwikkeling door van sterke centralisatie naar een meer gedecentraliseerde invulling. Deze ingezette trend van toenemende decentralisatie, differentiatie en flexibilisering zal zich voortzetten. Ook de bouw kan zich van dergelijke ontwikkelingen niet langer distantiëren. Ondernemingen en werknemers hebben behoefte aan meer maatwerk in het pakket van arbeidsvoorwaarden. In een economie waar kennis belangrijker wordt, zal het onderscheid tussen werkgever en werknemer op den duur steeds minder duidelijk worden. In de bouw gaat dit zich met name voordoen bij technisch en administratief personeel (vallend onder de uta­cao), maar ook het bouwplaatspersoneel krijgt hiermee te maken.

Ordening

Sociale partners hebben zich in het verleden uitgesproken voor het afsluiten van cao’s. Werkgevers uiten nog steeds de behoefte om een gewenste mate van ordening van arbeidsvoorwaarden te organiseren, die willekeurig onderscheid tegengaat en voorkomt dat de werkgever met elke werknemer afzonderlijk moet gaan onderhandelen. De geconstateerde verdergaande individualisering heeft consequenties voor de cao’s. In een studie van Stichting Management Studies (‘Arbeidsrelaties op maat: naar een derde contract?’ Huiskamp, de Leede en Looise, 2002) worden twee scenario’s geschetst, namelijk een: de cao heeft toekomst als regulator van het proces van individualisering of twee: het proces van individualisering luidt het einde van deze collectieve arbeidsovereenkomst in. In scenario 1 heeft de cao de rol van regulator van de directe arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer. Er ontstaat een koppeling tussen maatwerkcontracten (zogenaamde derden­contracten) en de cao. Er komen procedures voor het opstellen van dergelijke contracten en voor het bewaken van de inhoudelijke ruimte. De collectieve arbeidsovereenkomst blijft van grote betekenis voor werknemers in de bedrijven. In scenario 2 verdringt de directe relatie tussen werkgever en werknemer de cao. Werknemer en werkgever vullen steeds meer ­ rekening houdend met wettelijke kaders ­ contracten/overeenkomsten in. De cao verliest aan betekenis.

Bouwkenmerken

Geldt het laatstgenoemde scenario ook voor de bouw? Alvorens deze vraag te beantwoorden is het relevant enkele kenmerken van de bouw de revue te laten passeren. Nederland telt 15000 bouwbedrijven met circa 200.000 werknemers en biedt aan ongeveer 38000 zelfstandigen zonder personeel (bouwbreed) emplooi. Bouwbedrijven behoren hoofdzakelijk tot de categorie klein­ en middenbedrijf. De bouwproductie bedraagt 46 miljard euro en draagt voor 6 procent bij aan het bruto nationaal product. De loonsom bedraagt 6.6 miljard euro. De bouwproductie dient ongestoord en economisch verantwoord plaats te vinden. Dat is de doelstelling met het oog op het op orde houden van de personeelsbezetting in de bouw in de komende jaren. Op langere termijn gaat een frictie ontstaan (door ontgroening en vergrijzing van de arbeidsmarkt) tussen vraag en aanbod. Deze frictie wordt bij het technisch en administratief personeel als nijpender ervaren dan voor bouwplaatspersoneel. (Een tekort aan arbeidscapaciteit op de bouwplaats wordt flexibel opgelost door: prefabricage, inschakeling van onderaannemers, werk uitstellen, inschakeling van zzp­ers, inlenen bij collega bedrijven, overwerk en doorwerken op zaterdag en roostervrije dagen, aantrekken nieuw personeel, contracteren van buitenlandse werknemers of gebruik maken van uitzendbureaus.) Vanwege de aard en het bedrijfseigene van de uta­werkzaamheden laat het tekort aan uta­personeel zich minder gemakkelijk flexibel oplossen dan de eventuele tekorten aan bouwplaatspersoneel. Gelet op het voorafgaande dient de vraag naar kwantitatief en kwalitatief op orde houden van de personeelsbezetting in de bouw de komende jaren zich met name te richten op uta­personeel. De bouw is een pluriforme bedrijfstak. Onderscheid kan gemaakt worden in grote en kleine burgerlijke en utiliteitsbouwbedrijven, grote en kleine grond­, water­ en wegenbouwbedrijven en de sector van de gespecialiseerde aannemers, welke laatste bijna geheel uit kleinere bedrijven bestaat. Behalve het onderscheid naar aard van bedrijvigheid en naar grootte is ook belangrijk hoe de bedrijven in de markt staan. Een belangrijk kenmerk van de bedrijfstak is dat het eigenlijke werk gebeurt op de projecten en niet in de bedrijven. De bouw is in enkele zinnen als volgt te typeren. Werkgevers en werknemers zijn onvoldoende geïnformeerd over de inhoud van regelingen op arbeidsvoorwaardengebied; de administratieve organisatie en de personeels­ en salarisadministratie laat bij een aantal (kleinere) bedrijven te wensen over; de instelling van ondernemingsraden en personeelsvertegenwoordigingen blijft achter bij andere bedrijfstakken; de verhouding werkgevers en werknemers is niet optimaal; meer dan in andere bedrijfstakken wordt gebruik gemaakt van inleenkrachten of zzp­ers en er is sprake van een afnemend niveau van vakmanschap en opleiding.

Verschuiving

Heel belangrijk in de bouw is het onderscheid tussen grote en kleine bedrijven. De bouw kent slechts een beperkt aantal grote bedrijven. In deze bedrijven en op grote bouwprojecten gaat het er in het algemeen professioneel en zakelijk aan toe. In deze bedrijven wordt naast bouwpersoneel veel uta­personeel aangetroffen. Deze bedrijven beschikken meestal over een personeelsfunctionaris. Er heeft zich de afgelopen jaren bij de grotere bedrijven een verschuiving voorgedaan. De activiteiten die samenhangen met de voorbereiding en organisatie van het bouwproces en de daarvoor benodigde medewerkers zijn behouden, maar het gespecialiseerde werk en de medewerkers zijn afgestoten naar bedrijven van gespecialiseerde aannemers. In de kleinere bedrijven heerst een andere cultuur; er is nauwelijks sprake van een formeel overleg. Veel waarde wordt gehecht aan informeel overleg en informele activiteiten. In kleine bedrijven wordt de plicht gevoeld om op individuele basis naar oplossingen te zoeken. Bij kleine bedrijven zijn doorgaans weinig of geen uta­medewerkers in dienst. Tegen deze achtergrond achten werkgevers in de bouw een zekere mate van collectieve ordening op het terrein van arbeidsvoorwaarden wenselijk om daarmee transactiekosten (kosten die ontstaan als iedere ondernemer met iedere individuele werknemer elk jaar over de arbeidsvoorwaarden moet gaan onderhandelen) te beperken, arbeidsrust te bevorderen en concurrentie op de loonkosten tussen ondernemingen enigszins te beperken. Het middel om dit te realiseren is het afsluiten van een cao; werkgevers zien het belang hiervan nog steeds in. Echter, de cao van de komende jaren zal op een aantal punten moeten veranderen. Het zal meer een basisregeling moeten worden met de mogelijkheid van meer ruimte voor individuele invulling. Er komt een duidelijke keuze welke onderwerpen in de cao moeten worden opgenomen: het is geen automatisme dat alles in deze overeenkomst is geregeld. Werkgevers en werknemers moeten bepalen welke onderwerpen collectief te regelen zijn en welke niet; collectieve regelingen hebben soms duidelijk meerwaarde. Kortom: een beknopte en leesbare cao met minder regels en de mogelijkheid meer ruimte aan werkgevers en werknemers te bieden om meer dan nu zelf de arbeidsvoorwaarden te kunnen bepalen.

Termijn

Over een cao met een dergelijke inhoud moeten werkgevers en werknemers het samen eens zien te worden. De bovengenoemde ontwikkeling zal gestalte moeten krijgen indien sociale partners geloof willen houden in het cao­instrument. Ze moeten vertrouwen hebben in het decentralisatieproces op het gebied van arbeidsvoorwaarden. Meer differentiatie en flexibilisering zullen ertoe leiden dat minder arbeidsvoorwaarden in de bedrijfstak en daarmee ook via het algemeen verbindend verklaren van de cao (avv) geregeld worden. Tegelijkertijd kan avv ondersteunend zijn voor het proces van differentiatie en flexibilisering omdat avv dit proces doorgeeft of oplegt aan de ongeorganiseerde ondernemingen in de bedrijfstak. Aanleiding genoeg om na te gaan welke onderdelen van de arbeidsvoorwaarden in de cao geregeld moeten worden en welke bepalingen wel of niet voor avv voorgelegd moeten worden. Aan het begin zijn twee scenario’s geschetst; deze twee mogelijkheden zullen op termijn tegenover elkaar komen te staan. Sociale partners moeten op tijd kiezen welke weg ze ten aanzien van de arbeidsvoorwaardenontwikkeling in willen slaan. Verandering van de cao­regelingen is noodzakelijk. Werkgevers hechten aan het tot stand komen van een collectieve overeenkomst, maar wel een die rekening houdt met de wensen van werkgevers en werknemers en niet verwordt tot een star en log instrument. De inhoud ervan zal met zijn tijd mee moeten gaan. Als sociale partners ­ met vertrouwen ­ de weg op gaan van meer maatwerk in de bedrijven op arbeidsvoorwaardengebied, dan zal de cao in de bouw een goede toekomst tegemoet gaan. Ondernemingen en werknemers hebben behoefte aan meer maatwerk

Reageer op dit artikel