nieuws

Uitleg onderzoeksresultaten bouwkosten eist zorgvuldigheid

bouwbreed Premium

Uitleg onderzoeksresultaten bouwkosten eist zorgvuldigheid

In de artikelen ‘Vergelijkingen in rapport PwC gaan mank (1) en ‘Vergelijkingen rapportage PwC (2)’ van de heer David Meijer in Cobouw, 15 en 18 april 2003 geeft hij een beschouwing van de resultaten van het onderzoek van PwC Consulting en Royal Haskoning. De inhoud van deze artikelen en andere eerder geconstateerde onzorgvuldigheden in de berichtgeving rond dit onderzoek vraagt om een reactie van de onderzoekers. In deze voor ons noodzakelijke reactie willen we een aantal aspecten verduidelijken in de vorm van aanbevelingen voor verdere interpretatie en gebruik van de resultaten van het onderzoek.

1. ­ Beschouw het kostenverschil van 14 procent tussen bouwkosten van publieke en private kantoorgebouwen, zoals dat uit het SEO/TNO­onderzoek komt, niet zonder meer als referentie voor ‘het bouwkostenverschil’ en daarmee als ijkpunt voor toekomstige actie.

­ Impliciet of expliciet bestaat de neiging om een verband te leggen tussen de spaarzame kwantitatieve resultaten in ons eindrapport (als logisch gevolg van de kwalitatieve aard van het onderzoek) en de ­ inmiddels beruchte ­ 14 procent uit het SEO/TNO­onderzoek. Deze neiging moet worden onderdrukt. Daar is enerzijds een onderzoekstechnische reden voor (de bij een kwalitatief onderzoek passende geringe steekproefomvang maakt vergelijking lastig), maar de belangrijkste reden is meer fundamenteel van aard. Die 14 procent zegt feitelijk weinig over de werkelijke verschillen in bouwkosten tussen publieke en private opdrachtgevers, omdat de gegevens waarop de 14 procent is gebaseerd slechts een deel van de totale bouwkosten betroffen, te weten de bouwkosten zoals die op de bouwvergunning zijn vermeld (geen contractsommen), en bovendien is de realisatiefase niet onderzocht (dus geen inzicht in de eindafrekening waarin meer­ en minderwerk zijn opgenomen). Opgemerkt zij overigens dat de kosten van de exploitatiefase noch in het SEO/TNO­onderzoek noch in het door ons uitgevoerde onderzoek zijn bestudeerd. Deze zijn ­ zoals wij hebben aanbevolen ­ het onderzoeken waard om zicht te krijgen op (vergelijking van) de kosten over de gehele levenscyclus van een kantoorgebouw.

2. ­ De bouwteam­contractvorm kan nu en kon de afgelopen jaren ook al bij de overheid worden toegepast, binnen de bestaande (Europese) aanbestedingsregelgeving

­ Hier lijkt de verwarring bij vele betrokkenen en ‘deskundigen’ groot. Omdat in de praktijk private partijen vaak onderhands aanbesteden en deze frequenter een bouwteam­contractvorm hanteren, lijkt het of de bouwteam­contractvormen alleen kunnen in combinatie met deze aanbestedingsprocedure. Niets is minder waar. Ook openbare of niet­openbare aanbestedingsprocedures zoals die zijn omschreven in de Uniforme Aanbestedingsreglementen (UAR 2000/UAR EG 1991) kunnen in de praktijk uitstekend met een bouwteam­contractvorm samengaan, hetgeen Meijer aan het einde van zijn tweede artikel terecht opmerkt en ook in ons onderzoeksrapport is aangegeven. Daarmee is overigens meteen duidelijk dat de ‘aanbestedingsplicht’ niets te maken heeft met de mogelijkheden voor het hanteren van de bouwteam­contractvorm of andere (al dan niet innovatieve) contractvormen door de overheid. Wel is het zo dat de interne richtlijnen van de rijksoverheid deze combinatie van aanbestedingsprocedure en contractvorm niet altijd stimuleren, dus op dat punt dienen deze richtlijnen kritisch te worden beschouwd.

3. ­ Het is ­ ondanks het ‘open­deurkarakter’ van de conclusie ­ goed te beseffen dat de hogere bouwkosten bij de overheid deels verklaard worden door de gevraagde hogere ‘kwaliteit’ van bouwen en programmatische verschillen. Dat de kwaliteit een van de oorzaken is van hogere bouwkosten is evident en in die zin is deze conclusie van het onderzoek uitsluitend een bevestiging. Wat echter voor niet­ingewijden niet direct vanzelfsprekend is, is dat de overheid in het algemeen een hogere kwaliteit nastreeft en vaak ook programmatisch een bredere functionaliteit vraagt. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de bijzondere functies die overheidsgebouwen (kunnen) hebben en de voorbeeldfunctie die overheden bijvoorbeeld op gebied van duurzaam bouwen en arbeidsomstandigheden vervullen. Echter, ook voor de overheid mag het vragen van hoge kwaliteit geen automatisme zijn. Telkens moet de afweging worden gemaakt of de kwaliteitseisen passen bij de door de overheid gestelde norm ‘sober en doelmatig’ in relatie tot de door de overheid gewenste duurzaamheid, alsmede bij de bijzondere functies van het gebouw en de wensen van de eindgebruiker. De indruk bestaat dat de balans op dit punt (te) snel doorslaat naar het laatste, hetgeen mede samenhangt met de lagere ‘commerciële drive’ bij de overheid, de nauwe betrokkenheid van de eindgebruiker en de rol van het (toch al) vastgestelde budget daarbij als stuurmiddel.

4. ­ Lees meer dan alleen de samenvatting van het onderzoeksrapport. Door verschillende belanghebbenden en in verschillende media zijn onzorgvuldige interpretaties gegeven van (de samenvatting van) de onderzoeksresultaten. Hoewel moet worden beseft dat ieder van deze interpretaties door een belanghebbende (mede) wordt beïnvloed door het belang dat die persoon dient, vinden wij het te betreuren dat onze boodschap in de samenvatting hiervoor blijkbaar de ruimte laat. Wij zien dit als een aandachtspunt voor de toekomst.

Reageer op dit artikel