nieuws

Onze ruimte schreeuwt om onderhoud

bouwbreed Premium

Het onderhoud van Nederland behoeft nadrukkelijk aandacht. In de afgelopen maanden zijn er zowel vanuit de wetenschappelijke als politieke hoek in Cobouw en andere dagbladen geluiden te horen geweest die oproepen tot een herbezinning van de aanpak van het onderhoud van Nederland. Door die herbezinning moet voorkomen worden dat we te maken krijgen met een nationaal onderhoudsprobleem. R.P. de Boer herkent deze roep om aandacht vanuit zijn eigen praktijk en geeft hierop een reactie.

Regelmatig worden wij geconfronteerd met voorbeelden op het gebied van achterstallig onderhoud. Zo voldoen in toenemende mate de rioolstelsels niet meer aan de eisen van deze tijd. Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat onder de grond een weinig doeltreffend kabelnetwerk aanwezig is. Tot nu toe is het bij het signaleren van het probleem gebleven. Zo stellen Prof. dr. H.B. Roos en Ir B.J. Verdoes op 20 februari in hun artikel in het NRC­Handelsblad vragen als ‘Leeft onderhoud bij de politiek en de man en vrouw op de straat?’ En ‘wie is er verantwoordelijk voor het onderhoud: de markt of overheid?’ Zij leveren echter geen oplossingsrichting aan, terwijl die mijns inziens ligt in drie belangrijke probleemgebieden: het sociaal­maatschappelijke aspect, het financieringsvraagstuk en de samenwerking tussen de politiek en de markt. Het oplossen van deze combinatie van problemen leidt naar het antwoord op het onderhoudsprobleem.

Aanvaardbaar

Als we het sociaal maatschappelijke aspect in ogenschouw nemen, kunnen we stellen dat in diverse wijken in Nederland ­ en dan heb ik het niet alleen over stadswijken, maar ook dorpen ­ de kwaliteit van leven aanzienlijk lager ligt dan wij als maatschappij aanvaardbaar vinden. Hier bevindt zich een op scherp staande sociale bom. Een forse impuls op het gebied van onderhoud, die verder reikt dat het verwijderen van hondenpoep op straat, kan bijdragen aan vermindering van de spanning in deze wijken. Vaak zijn dit stadswijken waar bijvoorbeeld weinig aandacht is voor de openbare ‘groene’ omgeving en waar de bereikbaarheid van omliggende groene ruimte voor wandelaars en fietsers beperkt is. Het zijn ook de wijken die vanwege hun locatie regelmatig te kampen hebben met overlast als hoog water en daar dus niet gebouwd hadden moeten worden. Deze zogenaamde ‘ruimtelijke kwaliteit’ is in dit soort wijken erg mager. Het begrip ruimtelijke kwaliteit is voor mij breed van insteek dat begint bij graffiti op de muur en eindigt bij de (her)inrichting van een waterloop. Alleen door verantwoordelijkheden en bevoegdheden omtrent onderhoud en herstructurering te verschuiven naar lagere overheden zoals provincie en gemeenten, wijkorganen en ‘boerenmilieucoöperaties’, kunnen wij een groter beroep doen op ieders gevoel dat rotzooi moet worden opgeruimd en onderhoud dient te worden gepleegd. Zo wordt er weer een koppeling gelegd tussen de individuele verantwoordelijkheid en de collectieve verantwoordelijkheid. Ik denk dan specifiek aan lokale organisaties die herkenbaar zijn in de wijk en die ook een mandaat hebben om geld uit te geven. In het landelijk gebied functioneerden vroeger de zogenaamde ruilverkavelingcommissies, die met een stevig mandaat projecten konden uitvoeren vanuit de overheden, maar die ook herkenbaar waren voor de plattelandsbevolking.

Parkmanagement

Ook speelt het financieringsvraagstuk speelt een rol bij het tegengaan van achterstallig onderhoud. Goed onderhoud vraagt om een goede financiering. Deze financiering is een probleem, want zij is niet zo snel gevonden. We moeten dan ook kijken naar nieuwe vormen van financiële dekking van onderhoudswerkzaamheden en herstructurering. Zo kunnen ten eerste bij nieuwbouwprojecten in de binnenstad posten in de exploitatiebegroting worden opgenomen voor beheer van de lokatie zelf én voor de omgeving. Het onderhoud van de omgeving van het project maakt dan onderdeel uit van het bouwproject zelf. Ontwerpers moeten dan wel leren de omgeving van projecten letterlijk en figuurlijk meer waarde toe te kennen dan tot nu toe gebruikelijk is. Ten tweede moeten bij de renovatie van projecten investeerders en eigenaren gestimuleerd worden hun eigen investeringsplannen te koppelen aan de ruimtelijke planning. Het is uiterst vreemd dat bij de renovatie van een school niet direct onderhoudswerkzaamheden aan de straat waar de school aan ligt worden meegenomen? Om dit soort activiteiten te structureren en kosten te besparen kan zogenaamd parkmanagement uitkomst bieden. Parkmanagement biedt de mogelijkheid om met de direct betrokkenen het beheer van bedrijfslocaties, maar ook voor woonwijken, ter hand te nemen. Op deze manier wordt er een koppeling gelegd tussen degene die het vastgoedproject ontwikkelt en degene die het beheert.

Ten derde zouden de mogelijkheden van nieuwe belastingformules moeten worden onderzocht. Wie profiteert er van een ruimtelijke transformatie? Alleen de gebruikers of bewoners van de locatie? Of ook de gebruikers van de ruimte in de omgeving? Een nieuwe vorm van baatbelasting zou kunnen worden geïntroduceerd: de gebruiker betaalt. We moeten alleen durf hebben om voor achterstallig onderhoud deze vorm van belasting te ontwikkelen en door te voeren. Ook dient er eens nagedacht te worden over manieren om eigenaren en gebruikers van projecten intensiever te betrekken bij het beheer van de openbare ruimte. Zo kun je privaatrechtelijke regelingen die langjarig op het eigendomsrecht drukken, ontwikkelen. De eigenaar van de locatie zou verplicht moeten worden om het onderhoud ervan langjarig veilig te stellen. Recentelijk legde een gemeente bij de ontwikkeling van een nieuw landgoed terecht de verplichting bij de eigenaar neer om langdurig een regeling te treffen voor het beheer van de openbare delen van dit landgoed. Immers, nieuwe bewoners van het landgoed krijgen een mooie kans om te wonen in een buitengebied. Daar mag best een verplichting tegenover staan, zoals het beheer van het omliggende gebied. De koppeling van de ontwikkelaar van het vastgoed en de gebruiker van het onroerend goed moet veel sterker worden.

Het derde thema van aandacht binnen het onderhoudsprobleem is het diffuse systeem van verschillende organisaties die betrokken zijn bij onderhoud en herinrichting van Nederland. De betrokken organisaties stemmen hun activiteiten niet altijd op elkaar af. Zo maken zij kosten die niet echt nodig zijn. Men begrijpt blijkbaar niet automatisch dat met een doeltreffend beheer met een looptijd van een aantal jaren, hetzelfde kan worden bereikt als met een herinrichtingsplan.

Ontkokering

De oplossing van dit probleem ligt in decentralisatie van het beheer van de openbare ruimte tot op het laagste niveau, waarbij ook private organisaties direct betrokken moeten worden: de winkelier om de hoek heeft belang bij een schone wijk. Ook de woningcorporaties realiseren zich dat het beheer niet stopt bij het portiek van de flat. Recentelijk pleitten de burgemeesters van de vier grote steden in Het Financieele Dagblad voor ontkokering van het Haagse grote stedenbeleid. Zij willen met name zelf kunnen bepalen hoe zij hun geld voor onderhoud en herstructurering besteden. Tegelijkertijd roepen zij op tot grotere efficiency binnen de overheid waardoor gelden doelmatiger kunnen worden besteed. Burgemeester Cohen van Amsterdam stelt in dat artikel dat door geldstromen te bundelen problemen beter kunnen worden aangepakt en dat “met ontbureaucratisering en decentralisatie van beleid al meer kan worden bereikt.”

Ik realiseer mij dat mijn voorstellen een forse dosis ‘maakbare samenleving’ suggereren. En ik ben ervan overtuigd dat wanneer wij verantwoordelijkheden voor onderhoud en herinrichting in samenhang lager in de maatschappij neerleggen, wij het onderhoudsprobleem beter kunnen aanpakken. Te denken valt aan andere financieringsmaatregelen die onderhoud aan wijken mogelijk maken, met een overheid die zich blijft inspannen om efficiënter te werken. In dit verband wijs ik graag op een initiatief nabij Amsterdam waar achterstallig onderhoud van de forten ter hand wordt genomen met de inzet van werkloze jongeren uit de grote stad. Een hoopvol teken.

Ir. R.P. de Boer, senior Consultant Arcadis Nederland BV in Arnhem

Introductie baatbelasting is wenselijk

Reageer op dit artikel