nieuws

De kleren maken de man en de vrouw in de bouw

bouwbreed Premium

Elke aannemer worstelt regelmatig met de vraag welke persoonlijke beschermings­middelen en kleding hij aan zijn medewerkers op de bouwplaats moet verstrekken. Geef je ze te weinig dan stuit je op de Arbowet of de CAO, geef je ze teveel dan heb je algauw de fiscus op je nek. Arbowet, CAO­Bouwbedrijf en fiscus vormen de driehoek waarbinnen de kleren de man (en vrouw) maken.

De Arbowet verplicht werkgevers om aan hun werknemers doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking te stellen. De kosten die hieraan zijn verbonden mogen niet ten laste van de werknemers worden gebracht. Zolang het gaat om helmen, veiligheidsgordels, gehoor­ of adembeschermingsmiddelen is er geen reden tot discussie. Deze middelen hebben een duidelijke relatie met veiligheids­ en gezondheidsrisico’s in de bouw. En dat geldt natuurlijk ook voor veiligheidsschoenen en veiligheidslaarzen.

‘Snelle’ jas

Bij kleding liggen de zaken anders. Buiten werken in weer en wind vraagt om een doelmatige bescherming, dat dient vooropgesteld. Maar er zijn nuances: heeft de werknemer een ‘snelle’ jas gekregen of kreeg hij kleding die hem afdoende beschermt bij zijn werk? Bij het laatste denk je dan aan doorwerken bij regen of vorst of andere belastende omstandigheden. In feite moet een interne regeling, bijvoorbeeld een arbobeleidsplan, aangeven welk kledingpakket dient te worden verschaft. Natuurlijk kan dat pakket variëren per functie, het werk varieert immers ook. De CAO­Bouwbedrijf verplicht de werkgever ervoor te zorgen dat zijn medewerkers op de bouwplaats de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen aan hebben; veiligheidsschoeisel wordt expliciet genoemd.

Voor werkkleding en laarzen kan de werkgever kiezen tussen kosteloos verstrekken of een in de CAO vastgelegde vergoeding per werkdag. Hij kan ook allebei doen, maar dan gaat hij verder dan de CAO vereist. Bovendien kan bij deze vrijgevigheid de fiscus zich ermee bemoeien. Ik kom in het laatste hoofdstukje op ons aller vriend terug. Indien een aannemer besluit bij kou door te laten werken op eigenrisicodagen (vorstverletregeling van de stichting Vorstrisicofonds), is hij verplicht aanvullend doelmatige winterkleding te verstrekken. Ook dit gegeven is in de CAO vervat. Voor steigerbouwers in de industrie gelden nog enkele aanvullende regelingen, onder andere het verstrekken van thermisch ondergoed en sokken. Deze onderkleding moet voldoen aan de specificaties van Arbouw (maar ook over bovenkleding kan Arbouw u informeren).

Heeft een bedrijf een ondernemingsraad, dan kan die raad samen met de werkgever een afwijkende regeling vaststellen, uiteraard onder de voorwaarde dat het overeengekomen pakket minstens gelijkwaardig is aan wat in de CAO is voorgeschreven.

Verband

De fiscus definieert (niet belaste) werkkleding als kleding die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om tijdens het werk te dragen. Er moet een verband zijn tussen het dragen van deze kleding en de functie. Zo is een doorwerkjas werkkleding voor een betonwerker, maar niet voor een boekhouder. Ook kleding die niet uitsluitend geschikt is voor het werk kan als werkkleding worden gezien. We hebben het dan over kleding in uitbundige bedrijfskleuren. Daar zul je immers niet snel mee gaan vissen. Je kunt de fiscus trouwens ook tevreden stellen door op de kleding één of meer duidelijke beeldmerken te laten aanbrengen.

Deze beeldmerken dienen werkgevergebonden te zijn, bijvoorbeeld door de naam of een logo. Ze moeten ook redelijk groot zijn, 70 cm ø minimaal. En gaat het om meer kledingstukken, broek en jack bijvoorbeeld, dan geldt die 70 cm ø voor de beide kledingstukken. De fiscus is wel ruimhartig als het gaat om het verstrekken van speciale isolerende kleding, tenminste als dit gebeurt op grond van de Arbowet. Dit laatste moet blijken uit schriftelijke bedrijfsdocumenten, bijvoorbeeld uit het arbobeleidsplan van het bedrijf. Een eigen bijdrage van de werknemer verlangen is in zo’n geval niet toegestaan.

Reageer op dit artikel