nieuws

Andere aanpak om klimaat en waterstanden te voorspellen

bouwbreed Premium

de bilt ­ De laatste tijd regent het vaker pijpenstelen. Een Elfstedentocht is twijfelachtig omdat het nauwelijks streng vriest. En hoogwater op de rivieren lijkt elk jaar een terugkerend fenomeen te zijn. Wat is systematisch en wat toeval?

Volgens Günther P. Können, hoofd afdeling klimaatanalyse KNMI, is de temperatuurstijging (autonoom en door broeikasgassen) bijvoorbeeld systematisch, hoogwater op de rivieren zoals die van ’93 en ’95 zijn incidenten.

Je geheugen is de slechtste bron voor een antwoord. Können: “Je hoort van generatie op generatie dat de winters vroeger veel strenger waren. Er waren altijd al strenge winters, maar degene die je bijblijft, is die waarin je leert schaatsen.” Om het klimaat en de verandering daarin te achterhalen baseert Können zich bij voorkeur op lange reeksen met de verschillende gegevens die tezamen het klimaat beschrijven.

Het begrip klimaat omvat de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een landstreek en de variaties daarop. Bij vastleggen van het klimaat gaat het niet alleen om metingen in de atmosfeer. Er zijn ook metingen nodig van oceanen, ijskappen, vegetatie en landoppervlak, die via ingewikkelde interacties tezamen het mondiale klimaatsysteem vormen. Het klimaat in Nederland hangt daar onlosmakelijk mee samen.

Uit de reeksen blijkt dat het klimaat in Nederland verandert. In de klimaatrapportages die het KNMI voor Nederland maakt is in de editie voor 1999 bij de tijdreeksen voor de temperatuur een stijgende trend waar te nemen. Dat strookt met de stijging van de wereldgemiddelde temperatuur. Het lijkt erop dat de laatste halve graad van de stijging tot nu toe te wijten is aan het broeikaseffect. Maar aan het eind van deze eeuw zal de verwachtingswaarde voor de temperatuur een stijging vertonen van 1 tot 6 graden Celsius. “Dat is zo ongeveer tien keer de stijging van afgelopen eeuw”, stelt Können vast.

Stormen

Het klimaatrapport van het KNMI laat op het gebied van wind niets trendmatigs zien. Stormen zijn zeldzaam en echte extremen zoals de 1 op 10.000 gebeurtenissen zijn moeilijk uit een reeks te halen. Maar dergelijke extremen hebben nu juist de interesse van het RIKZ en het KNMI. De echte interesse gaat in relatie tot de dijken uit naar de maatgevende waterstand zelf. Die kan namelijk op verschillende manieren totstandkomen.

Wat volgens Können voor de toekomst een rol speelt is de absolute stand van de zeespiegel, het verschil tussen eb en vloed en de veranderingen van het stormklimaat. Bij het vaststellen van maatgevende waarden moet men volgens hem niet te veel vanuit systemen redeneren. “Veranderingen in wateropzet bijvoorbeeld kan ontstaan door wijzigingen in de luchtdruksystemen. Maar uiteindelijk is de absolute waterstand bepalend voor het overstromen van een dijk, dus dat moet je weten. Die waterstand komt tot stand door een combinatie van tij, zeespiegelstijging en wateropzet”, verklaart Können.

De beschikbare reeksen met gegevens zijn te kort om nauwkeurig de 1 op 10.000­storm te kunnen schatten. Daarom gaat het KNMI voorspellingen van bijvoorbeeld absolute waterstanden anders aanpakken. Dat gaat met behulp van het zeer lang draaien van een klimaatmodel, dat weer werkt als een weersvoorspelmodel. Een klimaatmodel is in feite een geofysisch stromingsmodel van de hele aardse atmosfeer. Können: “Als je die laat draaien, kunnen er af en toe dingen optreden die nog nooit zijn waargenomen. Er zit geen tijdsrem op. Je kan zo’n model 10.000 jaar laten lopen en dan naar de statistiek kijken zoals je dat ook bij echte waarnemingen doet.”

Op dezelfde manier als het klimaat wil Können de waterstanden aanpakken. “Dat is boeiend. Deze werkwijze volgen we al voor het huidige klimaat en de verwachtingen. We kijken dan wat de verschillen zijn. Beperking van klimaatmodellen is dat ze niet helemaal volledig zijn. Sterke kant is dat je niet extrapoleert vanuit een korte reeks. Je ziet dus alle systemen die kunnen worden gevormd, ook de extreem zeldzame van een andere soort. “

De nieuwe technieken die sinds de Watersnoodramp van 1953 beschikbaar zijn, helpen dus om beter te voorspellen van wat kan gaan komen. “Maar”, zo relativeert Können: “Wetenschappelijke voortgang is van alle tijden. Nieuw tegenwoordig is dat reeksen met computers gesimuleerd kunnen worden: vijf jaar geleden kon dat nog niet. En dit is interessant. Het is de toekomst.”

Sprookje

“Een samenloop van noordwesterstorm en springtij als oorzaak van de Watersnoodramp in 1953 is niet waar”, stelt Können van het KNMI als hij het over extremen heeft. Er was wel springvloed, maar de verhoging daardoor was gering. Springvloed gedurende het getij treedt op bij volle of nieuwe maan. De hoogten verschillen. Eind januari 1953 stond de maan ver van de aarde vandaan. Daardoor viel het springtij zeer laag uit. Dat wil zeggen dat de hoogte van de springvloed niet tot de ramp heeft bijgedragen.

Wat wel invloed had was de ‘timing’. Daarmee bedoelt hij het samenvallen van het hoogtepunt van de storm met het getij. In het kwetsbare Zeeland viel het hoogtepunt van de storm samen met de vloed. In het beter beveiligde noorden met eb. Als de storm zes uur later was langsgetrokken, zou het hoogtepunt zijn samengevallen met eb en was de schade minder groot geweest. De timing was dus essentieel, niet de springvloed. “Het sprookje van noordwesterstorm en springvloed is echter moeilijk de wereld uit te krijgen”, zegt Können.

Veertien dagen na de ramp ­ bij hoge springvloed ­ is het gelukkig niet nog eens gaan waaien uit het noordwesten. Anders waren er nog veel meer dijken doorgebroken.

Reageer op dit artikel