nieuws

Oud-aannemer Van Bezeij volgt bouwfraude op de voet

bouwbreed

leiden – Wat is er toch aan de hand in de bouw? Telkens als oud-aannemer D. van Bezeij (85) de krant openslaat, wrijft hij zich in de ogen van verbazing over weer een nieuw fraudeschandaal. Het raffinement waarmee sommige bouwers sjoemelen, verbaast hem. De ongenuanceerde berichtgeving waarmee de media de hele bouw op één hoop vegen, stoort hem. Een gesprek over vroeger.

Iedereen deed wel eens wat zwart, maar er zijn grenzen… Van Bezeij, sinds 1982 gepensioneerd, volgt de ontwikkelingen rond bouwfraude op de voet. ‘Ik lees de kranten en ik kijk naar de actualiteitenprogramma’s op televisie. Het interesseert me nog steeds, al is mijn bedrijf twintig jaar geleden verkocht. De bouw heeft mijn ziel en mijn leven gehad, het laat me nog steeds niet los. Ook al heb ik geen contact meer met de huidige generatie aannemers.’ Tussen 1952 en 1982 gaf Van Bezeij leiding aan het aannemersbedrijf dat in de achttiende eeuw door een van zijn voorouders was gesticht. (Op zijn verzoek is de plaats waar zijn bedrijf was gevestigd niet genoemd). Hij bouwde van alles, van arbeiderswoning tot bungalow en van kerk tot postkantoor. Daarnaast nam hij talloze verbouwingen voor zijn rekening. Zijn mening over bouwfraude: ‘Ik geloof niet alles wat ik hoor, maar ook als niet meer dan de helft van wat ik in de kranten lees of op de televisie zie waar is, zijn er exorbitante dingen gebeurd. Het is de spuigaten uitgelopen. Ik kan dat onmogelijk goedpraten.’ Dat neemt niet weg dat er vroeger ook wel cadeautjes werden weggegeven of dat aannemers onderling prijsafspraken maakten. ‘Ik kende verschillende prijsregelende organisaties. Zelf heb ik nooit in het bestuur van zo’n club gezeten, maar soms had ik er contact mee. En er werd zwart gewerkt. Dat deed iedereen wel eens.’ Relatiegeschenken bestonden in zijn tijd natuurlijk ook. ‘Ik vind trouwens dat dat nog net kan, iemand een kerstpakket geven of een relatiegeschenk. Ik herinner me een aannemer die een zeewaardig jacht had gekocht. Hij nam wel eens mensen uit zijn kennissenkring mee voor een weekendje. Dan stond de koelkast vol met etenswaren en er was een lekker wijntje voorradig. Tja… Maar tegenwoordig heeft het proporties aangenomen die niet meer toelaatbaar zijn. Je mag dat niet de hele bouw verwijten. Als een aannemer tegen iemand zegt: joh, ga je mee in Schotland naar de windhondenrennen kijken, dan is het voor de verantwoording van dat bedrijf.’ Dat laat onverlet dat hij zich verbaast over wat hem ter ore komt. ‘Ik kan het echt niet allemaal geloven. Laatst bijvoorbeeld las ik dat er voor iemand bij wijze van douceurtje een complete bungalow was gebouwd. Een dakkapel, oké. Dat kan ik me nog voorstellen. Je vergeet de rekening op te sturen. Zoiets kun je administratief wegwerken, maar een bungalow? Ik geloof er geen fluit van.’ De overheid was in vroeger dagen, net als tegenwoordig, niet altijd brandschoon. Van Bezeij weet nog hoe hij na een aanbesteding bij een gemeentearchitect werd geroepen. ‘Hij zei tegen me: ‘Schrijf nou eens op wat er kan worden bezuinigd.’ Goed, dat wilde ik wel doen, maar toen ik vroeg of hij die gegevens dan als officiële nota aan het bestek zou toevoegen, zei hij ‘Nee, het bestek blijft volledig overeind staan’. Dus als er later wat is, zei ik, en het is niet volgens het bestek gemaakt, ben ik de schuldige. ‘Ja’, zei die toen. Ik heb de opdracht geweigerd, hoewel ik toch aannemer was bij de aanbesteding. Maar een ander deed het wel, dat ligt aan je mentaliteit.’ Een andere keer werd Van Bezeij door een burgemeester uitgenodigd om mee te gaan naar Den Haag. ‘Den Uyl stond toen aan het front van de regering. Ik had ingeschreven op de bouw van een aantal woningen. Er was aanbesteed en ik zat vijfhonderd gulden per woning hoger dan ze wilden uitgeven. De burgemeester wilde dat ik mee ging naar het ministerie om subsidie te regelen. In die tijd liet de minister-president elk jaar in januari groots optellen hoeveel huizen hij had laten bouwen, dus daarom viel er wel wat te regelen. Ik zeg tegen de burgemeester: ‘Ik heb niks met Den Haag te maken. U heeft mij om een offerte gevraagd en ik heb met u te maken. Als u met Den Haag moet gaan praten omdat ik te duur ben in uw ogen, dan regelt u het maar. Nou ja, ik weet het goed gemaakt, zegt u ze in Den Haag dat ik er honderd gulden af doe, als zij er vierhonderd gulden bij doen.’ De andere dag kreeg ik een telefoontje: het was in orde.’ ‘De overheid was vroeger ook niet brandschoon’

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels