nieuws

Bewoning zomerhuisje moeilijk te bewijzen

bouwbreed

Hoe op te treden tegen illegale permanente bewoning van recreatiewoningen? Dat is een vraag waar veel gemeentebesturen al lange tijd mee worstelen. Vooral de moeilijke bewijsvoering speelt daarbij parten.

In het verleden is gebleken dat gemeenten soms erg creatief kunnen zijn in het bedenken van onderzoeksmethoden naar de permanente bewoning van recreatiewoningen. Zo zijn er gemeenteambtenaren, die eenmaal per week controles uitvoeren, en die in een rapport de bij de recreatiewoning aangetroffen situatie noteren. De betreffende rapportages bevatten veelal feitelijke beschrijvingen als: auto voor de deur, licht aan, konijn in slaapkamer gesignaleerd. Een andere manier waarmee wordt getracht tot bewijs te komen is door bij de PTT te informeren of en zo ja, welke correspondentie wordt bezorgd op het adres van de recreatiewoning. Tevens schakelen gemeenten wel nutsbedrijven in om aan de hand van de verbruiksgegevens van de inwoner te kunnen concluderen of al dan niet permanente bewoning plaatsvindt.

Ontmaskeren

Inmiddels is in de rechtspraak bepaald dat sommige onderzoeksmethoden volgens de rechter niet door de beugel kunnen. Zo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) reeds besloten dat het een ieder vrij staat zijn post af te handelen tijdens recreatietijd en mogen verbruiksgegevens alleen worden opgevraagd met toestemming van betrokkene. Welk instrumentarium staat gemeenten dan nog ten dienste bij het ontmaskeren van de permanente recreatiewoningbewoner? In sommige gevallen biedt de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) voor gemeenten een uitkomst. Onlangs heeft de afdeling zich in twee uitspraken (Afd. bestuursrechtspraak RvS, 25 juli 2001, Bouwrecht nr. 21 en Afd. bestuursrechtspraak Rvs, 25 juni 2001, Bouwrecht nr. 22) uitgelaten over de betekenis van de gemeentelijke basisadministratie (GBA) wat betreft de bewijslastverdeling voor permanente bewoning van recreatiewoningen. Het ging om het volgende. Het college van B en W van Haaksbergen had zich, in beide zaken, bij het nemen van het primaire besluit (de last tot staken van de permanente bewoning op straffe van een dwangsom) op het standpunt gesteld dat inschrijving van de bewoners in de GBA het vermoeden rechtvaardigde dat zij ten tijde van het nemen van dat besluit op het adres van de recreatiewoning hun hoofdverblijf hadden. De afdeling volgt de redenering van het college en acht deze gedachtegang niet in strijd met het recht. Voorts hebben B en W bij het primaire besluit overwogen dat de bewoners er niet in geslaagd zijn het door het college geuite vermoeden te ontzenuwen, waardoor moet worden aangenomen dat van daadwerkelijke permanente bewoning sprake is. Ook deze redenering volgt de afdeling. Dit standpunt van de Afdeling houdt voor gemeentebesturen een verlichting van de bewijsvoering in. Het heeft namelijk als consequentie dat op de inschrijving in de GBA het vermoeden wordt gebaseerd dat iemand zijn hoofdverblijf heeft op het daarin genoemde adres. Het gaat hier echter wel om een ‘weerlegbaar’ vermoeden. In geval van inschrijving in de GBA op een adres dat betrekking heeft op een recreatiewoning, moet een van permanente bewoning verdachte bewoner dus het tegenbewijs leveren dat hij zijn of haar hoofdverblijf elders heeft.

Makkelijker

Zo op het eerste gezicht lijkt dit de bewijslast voor gemeenten aanmerkelijk makkelijker te maken. De praktijk leert ons echter dat dit veelal anders uitpakt. Het blijkt namelijk dat permanente bewoners zich inmiddels veelal op een ander adres laten inschrijven, terwijl ze in werkelijk toch permanent in de recreatiewoning verblijven. Aangezien door inschrijving op een nieuw adres in de GBA het oude adres in de GBA komt te vervallen, wordt de bewijslastverlichting voor gemeenten weer opgeheven. Sterker nog; in dit geval is het aan gemeenten om aan de hand van concrete feiten en omstandigheden deugdelijk te motiveren dat sprake is van verboden permanente bewoning. Dit is precies de situatie zoals die zich afspeelde in de uitspraak van de Afdeling dd. 25 juni 2001. Op het moment dat het college van burgemeester en wethouders op het bezwaarschrift van betrokkenen beslisten, hadden zij zich zojuist op een ander adres dan dat van de recreatiewoning laten inschrijven in de GBA. Van een vermoeden dat betrokkenen hun hoofdverblijf in deze recreatiewoning hadden -waardoor zij gehouden waren het tegenbewijs te leveren- was dus niet langer sprake, waardoor de bewijslast vervolgens bij de gemeente kwam te liggen. Het feit dat een ambtenaar betrokkenen enige malen gitaarspelend in de recreatiewoning heeft aangetroffen, noch het feit dat dezelfde ambtenaar een kat uit deze recreatiewoning heeft zien komen, noch de indruk van deze ambtenaar dat de recreatiewoning permanent werd bewoond, kunnen op zichzelf of in hun onderling verband bezien de conclusie dragen dat sprake was van permanente bewoning, aldus de afdeling. Leek het er in eerste instantie dus op dat gemeenten door de uitspraken van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een troef in handen hadden gekregen, dit gaat derhalve niet op in het geval van de calculerende burger!

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels