nieuws

Ruimtelijk beleid overheid moet effectiever en goedkoper

bouwbreed

Het overheidsbeleid dat gaat over de inrichting van ons land is verre van effectief. Dit moet volgens Ralph Kohlman en Ronald Löhr niet alleen beter en sneller maar zeker ook goedkoper. Dat laatste is te bereiken door te stoppen met de productie van de talrijke dikke beleidsnota’s. Daarbij zou volgens hen een begin moeten worden gemaakt met het formuleren van een strategische visie en met het oppakken van concrete vraagstukken. Al jaren pleit de overheid voor integratie van beleid voor ruimtelijke ontwikkelingen. En het lukt maar niet.

De overheid vervalt keer op keer in het schrijven van sectorale beleidsnota’s. Op die manier houden de departementen en de verschillende overheidsniveaus elkaar in een houdgreep en werken ze langs elkaar heen, of erger, tegen elkaar. En dat alles ten koste van de ruimtelijke kwaliteit.

Notacultuur

Demissionair minister Kamp pleit in zijn ‘Stellingnamebrief nationaal ruimtelijk beleid’ voor het opstellen van één ruimtelijke nota, de Nota ruimte. In deze nota worden de Vijfde nota en de Tweede structuurschema groene Ruimte geïntegreerd. Het is een aanzet voor integratie van beleid, maar ons inziens is er veel meer voor nodig om tot écht effectief en integraal overheidsoptreden te komen. Een integrale ruimtelijke inrichting gaat immers ook om vraagstukken op het gebied van water en mobiliteit. Fortuyn pleitte voor ‘het einde van de notacultuur’. Een grote valkuil waar het nieuwe kabinet in kan stappen is deze boodschap te negeren en door te gaan op de oude voet. Het zou zonde zijn als dat gebeurt. Er ligt namelijk een kans de ruimtelijke inrichting van ons land beter, sneller en goedkoper te organiseren. Belangrijke belemmeringen bij het ruimtelijk beleid zijn het onvermogen van het rijk om om te gaan met de eigen verkokering en het feit dat besluiten over de ruimtelijke ordening van Nederland op verschillende, strikt gescheiden overheidsniveaus worden genomen. Op rijksniveau produceert elk departement zijn eigen beleid. Nota’s die bepalend zijn voor de inrichting van ons land zoals de Vijfde nota ruimtelijke ordening, het Nationale Verkeers- en Vervoersplan, Ruimte voor de regio’s (EZ) en de Tweede Structuurschema Groene Ruimte zijn opgesteld zonder dat sprake was van gemeenschappelijke uitgangspunten. Hierdoor komt effectief beleid zeer moeizaam van de grond.

Vicieuze cirkel

De samenwerking tussen afzonderlijke overheidsniveaus laat daarnaast te wensen over. Wij kennen geen integrale publiekrechtelijke besluiten van (alle) overheidsniveaus gezamenlijk. Sterker nog: rijk, provincie en gemeente zijn elk geheel eigen werelden die onderling sterk van elkaar gescheiden zijn. Desondanks beslissen de gemeenten vaak over de doorwerking van het rijksbeleid en beslist het rijk over lokale aangelegenheden. In de praktijk leidt dit vaak slechte of geen samenwerking. Er is sprake van een vicieuze cirkel die doorbroken moet worden om de effectiviteit van het ruimtelijk beleid te verhogen. De natuurlijke overheidsreflex om de vicieuze cirkel te doorbreken is het maken van meer beleid. Juist deze neiging werkt contraproductief, leidt tot langere besluitvormingstrajecten en daardoor tot hogere kosten.

Helder

Een andere en, volgens ons, betere benadering is niet het beleid centraal te stellen, maar de vraagstukken die opgelost moeten worden. Hiertoe stellen rijk en provincies elk een strategische ruimtelijke agenda op: een lange termijn visie waarin wordt bepaald welke vraagstukken essentieel zijn in het toekomstige ruimtelijk beleid. Hierin worden heldere oplossingen geformuleerd over de gewenste ontwikkeling van het land of de regio.

Selectiviteit

Het rijk focust zich in de ‘nationale agenda’ op vraagstukken die bepalend zijn voor de ruimtelijke hoofdstructuur van ons land zoals de grote corridors en de stedelijke netwerken, de waardevolle groene ruimte en de nationale (lucht- en zee)havens. De provinciale/regionale visie agendeert de overige vraagstukken. Deze visies hebben een integraal karakter en beslaan het totale spectrum van ruimte, verkeer, milieu, water en landelijk gebied. Selectiviteit is hierbij het sleutelwoord. De invloed en de capaciteit van de overheid is ten slotte maar beperkt. Op projectniveau vindt dan verdere uitwerking en concretisering plaats. Vervolgens gaan rijk en provincie aan de slag met de in de strategische agenda’s gedefinieerde vraagstukken. Ze doen dit ten eerste door alle relevante overheidspartijen, maatschappelijke organisaties en eventueel ook marktpartijen te betrekken. Als alle belangen in het proces vertegenwoordigd zijn, zal het ook makkelijker blijken om tot integrale oplossingen te komen: gezamenlijk wordt gezocht naar een oplossing die recht doet aan alle belangen. De rol van de overheidspartijen, en met name van provincies, verandert daarmee sterk, van restrictief naar ontwikkelend en van ‘hoofdrolspeler’ naar regisseur.

Afbreukrisico

Naast het ‘wat’ dient ook het ‘hoe’ op de agenda te staan. Hoe wordt de uitvoering ingestoken? Welke randvoorwaarden dienen nog te worden weggenomen? En vooral: waar komt het geld vandaan? Het is van groot belang zo vroeg mogelijk de afbreukrisico’s in beeld te brengen. Dit draagt bij aan het ontwikkelen van realistische alternatieven. Hiermee wordt voorkomen dat afspraken en projecten in een laat stadium omwille van de financiën of het ontbreken van draagvlak worden afgeblazen. Deze aanpak leidt tot een snellere en goedkopere uitvoering van het ruimtelijk beleid. Deze manier van werken heeft verstrekkende gevolgen voor het rijks- en provinciaal beleid. Het betekent namelijk dat er geen solitair en sectoraal ruimtelijk beleid meer wordt gemaakt. Het betekent verder dat de ‘grote’ ruimtelijke nota’s zich moeten beperken tot de strategische opgaven en ruimtelijke vraagstukken opge pakt worden op lagere niveaus (provincies, kaderwetgebieden, stedelijke netwerken en gemeenten). Het resultaat is dat het ruimtelijk beleid en de verantwoordelijkheid van beslissingen eenduidiger en duidelijker worden en meer kans van slagen hebben door het presenteren van daadwerkelijk te realiseren oplossingen.

Niet ver genoeg

Wij zijn er van overtuigd dat een selectiever ruimtelijk beleid, gericht op het oppakken van concrete vraagstukken, ten goede komt aan de kwaliteit, efficiëntie en effectiviteit van het beleid. De Stellingnamebrief van minister Kamp biedt, evenals de nu bekende contouren van de nieuwe wet Ruimtelijke Ordening, aanzetten in deze richting. Ze gaan echter lang niet ver genoeg.

R. Kohlmann en R. Löhr Adviseurs bij Adviesbureau DHV te Amersfoort Overheid schrijft enkel sectorale beleidsnota’s

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels