nieuws

Baggeren op de vierkante millimeter

bouwbreed

Baggeren voor IJburg is precisiewerk. Er hoeft maar weinig te gebeuren of klei wordt opgeperst of een zandpakket schuift in de oergeul. Terwijl in de directiekamers een heuse oorlog wordt uitgevochten, werken de drie grootste baggeraars op IJburg gebroederlijk samen aan dit secure karwei.

Op de bouwkeet wapperen de vlaggen onbekommerd naast elkaar. Links die van HAM, rechts die van Boskalis. De banier van Ballast-Nedam in het midden lijkt de twee gezworen kemphanen uit elkaar te houden. De trits wordt aangevuld met de vlag van Fernhout, de kleinste baggeraar van het stel, aan wie al het tumult tussen de andere combinanten voorbij lijkt te gaan.

Gevieren trekken de partijen sinds 1998 op als combinatie IJburg en leggen voortvarend een solide bodem voor het nieuwe stadsdeel. De bouwactiviteiten op IJburg mogen wat achterlopen; het landmaken loopt volgens directievoerder H. de Leeuw van Ingenieursbureau Amsterdam (IBA) voor op de planning.

En dat op de beruchte Amsterdamse bodem, die zijn gelijke in de wereld niet kent waar het gaat om het ontbreken van draagkracht. Rondom het IJ is de situatie het beroerdst en stuit iedere aannemer onherroepelijk op de oergeul, die de eerste en tweede zandlaag grotendeels heeft weggeslepen. Er zijn gemakkelijker bouwlocaties denkbaar.

“Maar dat is precies wat IJburg voor een baggeraar tot zo’n interessant project maakt”, zegt projectmanager S. Estourgie van combinatie IJburg, lopend over de pas aangebrachte zandvlakten. Een jaar geleden kwam Estourgie terug van werk in Maleisië en Singapore. In Nederland viel hij naar eigen zeggen met zijn neus in de boter.

Sproeiponton

“In het Verre Oosten kwam het vooral aan op bulkwerk. Met jumbohopperzuigers haalden we zand uit zee om de complete bak van 15.000 kuub in één keer op locatie uit te storten. Waar het precies viel maakte niet zo veel uit, want het bleef toch wel liggen op de stevige bodem. Dat is in Amsterdam wel even anders. Alhoewel we een veel dunner zandpakket opbrengen, vijf meter in plaats van veertig zoals inj Singapore, vergt het veel meer om er voor te zorgen dat het ook op zijn plek blijft liggen. Daarom spuiten we met speciaal ontwikkelde sproeipontons het zand op in laagjes van 50 centimeter.”

Elke laag moet ten minste vier weken zetten voordat de volgende laag eroverheen kan. Die periode hebben de onderliggende kleilagen nodig om te consolideren en te verdichten. “Wie daar de hand mee licht en laagdikte of consolidatietijd niet zo nauw neemt, wordt onherroepelijk afgestraft. De klei perst zich onder het zand uit, of het hele zaakje schuift in de oergeul. Dan kun je opnieuw zand aanbrengen.”

Eind 1999 toen het eerste deelbestek werd afgerond gebeurde dat een keer, weet De Leeuw van IBA nog. “Het was een goede waarschuwing voor alle betrokkenen. Het kost immers extra zand en bovendien komen er bergen slib vrij. En daar weet in Nederland toch al niemand raad mee; ook niet met het relatief schone slib in het IJ. Daarom is er indertijd ook voor gekozen om IJburg bovenop het slib te leggen en dat niet eerst weg te halen.”

Om niet vijf jaar te hoeven wachten met bouwen, wordt het consolideren van de bodem versneld met behulp van verticale drainage. Op Steigereiland-Noord is onderaannemer Cofra daar druk mee bezig. Acht speciale stellingen drukken elf meter lange drainagestrips de bodem in, op een onderlinge afstand van een meter. Waar je ook kijkt, overal steken de strips, als een soort reusachtige grassprieten uit het vers opgespoten zand. Alleen op plaatsen waar de bodem dat toelaat, zoals bij toekomstige parken wordt het ijzeren ritme doorbroken. Daar vormt een flinke restzetting volgens De Leeuw geen probleem.

Infrastructuur

Na een jaar versneld inklinken wordt begonnen met het aanleggen van leidingen en wegen. De persriolen worden onderheid. Een jaar later kunnen de huizen daarop worden aangesloten. De restzetting bedraagt daarna nog zo’n 20 centimeter; zo leert de ervaring met een proefeiland dat in 1996 werd opgespoten. Het is inmiddels opgeslokt door het Steigereiland, maar nog duidelijk herkenbaar, omdat het voorlopig het enige begroeide stukje IJburg is. Dit voorjaar moesten de bulldozers en shovels van de baggeraars er met een wijde boog omheen rijden om de broedende weidevogels niet te verstoren.

Het zand voor IJburg is afkomstig uit de vaargeul tussen Almere en Amsterdam. Met bakken wordt het naar IJburg verscheept, waar de bakkenzuiger Sliedrecht 26, het weer opzuigt en het in het leidingstelsel pompt dat over de eilanden is uitgelegd.

Machinist Jan Wagenmakers van de Sliedrecht 26 manoeuvreert behendig de zuigmond door de bak van Boskalis die langszij ligt. Als hij op een vaste kluit zand stuit, stuurt hij met zijn joystick een spuitlans aan die er een flinke waterstraal op richt die de zaak losspuit. Het weerbarstige zand wordt alsnog naar de zuigmond gedirigeerd. In amper 25 minuten tijd heeft de HAM’er de 1400 kuub grote bak van de concurrent leeggezogen en de inhoud verpompt naar de spuitmonden en sproeipontons.

Spelers

Wagenmakers ziet dagelijks zo’n beetje alle belangrijke spelers uit de Nederlandse baggerij langskomen. Vaak is nauwelijks de moeite genomen om sporen van eerdere baggeroorlogen uit te wissen. De bakkenzuiger van Wagenmakers zelf is indertijd door VolkerStevin gebouwd en de kenmerkende driehoeken van het logo zijn uitgespaard in de wand van de besturingscabine. Ze zijn nog duidelijk zichtbaar hoewel de groenwitte krab, van de HAM er overheen is geplaatst.

De huidige baggerstrijd tussen HAM en Boskalis volgt Wagenmakers op de voet. “Als ik het voor het kiezen had gingen we verder met Ballast Nedam. Het mentaliteitsverschil met Boskalis is te groot. Dat vindt eigenlijk iedereen. Je ziet het al bij het betreden van de werf in Papendrecht.”

De sproeipontons op IJburg zijn zo’n beetje de enige vaartuigen die geen littekens bezitten van eerdere fusies en baggervetes. Daarvoor is de techniek te jong. Eén is gebouwd door HAM voor de aanleg van het proefeiland. Ze sproeien het waterzandmengsel heel gedoseerd over de bodem uit. Meetinstrumenten houden debiet en zand/waterverhouding van de aanvoerleiding nauwkeurig bij en zorgen er voor dat de ponton tijdig een nieuwe positie inneemt. Computers – gevoed met verbeterde GPS signalen – sturen de ankerlieren aan, waarmee het vaartuig zichzelf voorttrekt. Een mens komt er nauwelijks nog aan te pas.

Al met al prijst projectmanager Estourgie zich gelukkig met de vloot die hem ter beschikking staat. De verschillende vaartuigen zijn goed op elkaar afgestemd, waardoor het project vlot verloopt. “Je kunt immers wel met een veel grotere cutterzuiger de klei uit de vaargeul bij Almere zuigen, maar als de winzuiger, de bakkenzuiger of de sproeipontons dat tempo niet kunnen bijbenen, ligt die cutter de helft van de tijd niets te doen. En dat kost geld.” Zo geldt dat voor elke schakel in de gecompliceerde baggerketen tussen Almere en IJburg.

Estourgie wordt bijna lyrisch wanneer hij hardop denkend de hele vloot langsloopt. Een warm pleidooi voor een algehele baggerfusie, waarbij Boskalis, HAM en Ballast gedrieën in één groot bedrijf opgaan? Estourgie lacht. Nee, zo had hij het niet bedoeld.

Liefde

De vraag is of de combinatie IJburg de baggeroorlog overleeft. Estourgie: “Ach hoe gaat dat met combinaties. Na afronding van het tweede bestek valt er wellicht weer een gat en verlies je elkaar een tijdje uit het oog. Misschien is de liefde na die tijd wat bekoeld, misschien ook niet.” Ditmaal moet er bovendien opnieuw openbaar worden ingeschreven op het volgende bestek. Een derde enkelvoudige aanbesteding, omdat er maar één partij is met de gewenste kennis en ervaring, zit er waarschijnlijk niet in. Dat pikt de Europese commissie niet, omdat het strijdig is met het principe van vrije concurrentie.

Iedereen mag dus meedoen. Maar Estourgie geeft de bestaande combinatie een goede kans op het binnenhalen van de vervolgopdracht. De ervaring met de sproeipontons en de specifieke omstandigheden op IJburg geven hen immers een flinke voorsprong. En hij sluit ook niet uit dat, de combinatie IJburg dan nog altijd dezelfde combinanten kent. Hoe de afloop van de baggeroorlog ook is.

Omputten

Het zand voor de eerste fase van IJburg is afkomstig uit de vaargeul Almere-Lelystad. Daarvoor moet eerst acht meter klei worden verwijderd. Dat gebeurt met de cutterzuiger Aegir, die de klei afsnijdt en verpompt naar een sectie in de vaargeul waar eerder al het zand uit is gehaald. Zandzuiger Faunus van Ballast-Nedam haalt vervolgens het zand weg, tot een diepte van zo’n 25 meter beneden N.A.P. In bakken wordt het naar IJburg getransporteerd. Later wordt de geul dan weer aangevuld tot een diepte van – 8 N.A.P. Dit is het zogenaamde omputten. De combinatie schuift langzaam in de richting van Lelystad en haalt wekelijks zo’n 100.000 kuub zand naar boven. Voor heel IJburg is er tot 2010 25 miljoen kuub zand nodig. Dat kan niet allemaal worden gewonnen uit de vaargeul.

Milieueisen

Rijkswaterstaat houdt streng toezicht dat de baggeraars op IJburg zich aan de milieueisen houden. Zodra de eilanden boven de waterlijn komen, mag het water dat de baggeraars lozen niet meer dan 400 milligram zwevende delen per liter bevatten. Rijkswaterstaat controleert dat dagelijks aan de hand van luchtfoto’s, waarop overtredingen zich genadeloos als zwarte vlekken in het Markermeer aftekenen. Baggercombinatie IJburg legt daarom flinke bezinkbassins aan, waar het water tot rust kan komen en het slib neerslaat. Via een speciaal leidingstelsel wordt het door twee bassins gedirigeerd voordat het in het Markermeer wordt geloosd.

‘Misschien is de liefde na dit project weer bekoeld’

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels