nieuws

Prijsvraag infrastructuur interessant maar lastig

bouwbreed Premium

Sinds kort wordt er in Den Haag nagedacht over het organiseren van prijsvragen voor het selecteren van de juiste partner voor pps (publiek-private samenwerking) in nieuwe infrastructuur. Vorige week lanceerde minister Netelenbos zo’n idee voor het vergroten van de bereikbaarheid in het zuidelijk deel van de Randstad met behulp van nieuwe spoorweginfrastructuur. Op zich geen slecht idee, vindt prof. H. de Ridder.

Het idee is niet zo slecht, omdat het een van de weinige mogelijkheden is om een pps aan te gaan in competitie. En dit laatste moet in Europa. Het zou in principe ook kunnen voor de A4-Noord, Zuiderzeelijn en de Maasvlakte 2. Maar dan moet er wel goed over nagedacht zijn. Een prijsvraag voor infrastructuur is namelijk buitengewoon lastig, omdat we te maken hebben met ingewikkelde regelgeving en omdat we er geen enkele ervaring mee hebben.

De enige ervaring met een prijsvraag in de civiele techniek is met de stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg, die – ondanks dat het een geisoleerd project betrof – nu niet bepaald vlekkeloos is verlopen. Bovendien kan een prijsvraagmodel voor pps, indien niet goed opgezet, buitengewoon kostbaar zijn.

Bekend is namelijk dat het vroegtijdig contracteren van aanbieders voor dit soort werken nu eenmaal veel transactiekosten met zich meebrengt. Het gaat dan vooral om de kosten voor contractnaleving en risicomanagement. Veelbetekenend is in dit verband dat de veel eenvoudiger engineering & construct- aanbestedingen van zowel Betuwelijn en de HSL-Zuid ( daar was de vraag aan de markt namelijk bekend en helder met een referentieontwerp) naar het zich nu laat aanzien tot forse overschrijdingen in tijd en geld gaan leiden.

Verontrustend

Het meest verontrustende is echter de absolute onwetendheid van wat pps inhoudt en dat dus met een prijsvraag-pps op een regelrechte ramp wordt afgestuurd. Immers, indien door de desbetreffende ministeries projecten als de HSL-zuid en de A59 voor pps’en worden versleten, waar ze gewoon een aanbesteding met een ingewikkelde betalingsregeling zijn, is er niet veel goeds te verwachten. De enige echte pps-infrastructuur die van de grond is gekomen is Sijtwende en die had echt nooit met een prijsvraag tot stand kunnen komen.

Kortom, pps-infrastructuur is in het dichtbevolkte Nederland een zeer aparte tak van sport, die een zeer aparte behandeling vergt. Dat geldt in het bijzonder voor het selecteren van de juiste partner voor pps, omdat het om een vroegtijdige contractering gaat waarbij veel geld omgaat en er grote risico’s zijn.

Van pps weet iedereen te vertellen dat waarde toegevoegd moet worden en dat er kosten bespaard kunnen worden, maar bijna niemand weet aan te geven hoe dat in zijn werk gaat. Het begrip begint met de publieke waarde, de directe opbrengsten en de kosten van nieuwe infrastructuur. Er is sprake van zowel positieve als negatieve waarden. De positieve waarde bestaat uit enerzijds de indirecte waarde (economisch, sociaal, cultureel) en anderzijds de directe vervoerswaarde voor gebruikers. Negatieve waarden zijn geluid, visueel, milieu.

In principe zal de negatieve omgevingswaarde moeten worden gecompenseerd tot een aanvaardbaar (norm)niveau, hetgeen extra kosten met zich meebrengt. Dat betekent dat het publieke nut, dat gedefinieerd is als waarde minus kosten, van nieuwe infrastructuur meestal niet zo groot is.

De bereidheid om die nieuwe infrastructuur te realiseren hangt af van het nut en het relatieve belang dat de politiek aan de betreffende infrastructuur hecht. Er zijn ook andere zaken belangrijk zoals gezondheidszorg, onderwijs en veiligheid. De noodzaak van die infrastructuur wordt bepaald door het bedrag dat in de politieke arena daarvoor kan worden vrijgemaakt.

Duidelijk is dat nieuwe spoorweg infrastructuur niet zonder meer tot stand komt. Het nut is er wel, maar de noodzaak niet. De prijs die betaald kan worden is lager dan de kosten. In deze situatie brengt pps uitkomst. De gedachte is dat private partijen waarde creeeren op, in, onder en naast de infrastructuur gericht op consumenten.

Te denken valt aan extra treinen, grotere snelheid, grotere frequentie en meer luxe van de treinen zelf, kantoren, garages, winkels en woningen rond de knooppunten. De opbrengst is altijd groter dan de kosten.

Door nu het publieke plaatje en het commerciële plaatje bij elkaar op te tellen wordt het gehele project haalbaar. De publieke partij gebruikt de commerciele opbrengst voor de financiering en de private partij heeft gelegenheid om winst te maken rond infrastructuur.

Het is belangrijk dat de publieke regievoerder een competente partij selecteert met wie zij een ontwikkelingsproces ingaat waarbij waarde dient te worden gecreëerd, waarbij de negatieve waarde dient te worden gecompenseerd, waarbij een open planproces wordt aangegaan met stakeholders en ook nog eens aan de Europese regelgeving wordt voldaan. Dat is niet mis. Daarom dient zeer veel zorg aan de selectie te worden besteed.

Hoofdlijnen

Desondanks mag die selectie niet te veel kosten, omdat dan het paard achter de wagen wordt gespannen. Dit betekent dat de selectie plaats moet vinden op hoofdlijnen en in ieder geval in een aantal stappen om aanbiedingskosten binnen redelijke perken te houden. Dit laatste is gezien de recentelijke affaires niet van belang ontbloot.

Het allerbelangrijkste zijn echter de criteria waarop gegadigden dienen te worden beoordeeld. De competitie dient te worden opgezet rond het te creëren publieke nut, dat het verschil is tussen de som van de directe en indirecte publieke waarde en de publiek te betalen prijs. Daar moeten de gegadigden dus op worden beoordeeld. Dat betekent dat de overheid zich niet hoeft uit te spreken over het commerciële nut dat wordt gevormd door het verschil tussen de commerciele waarde en de commerciele kosten. Dit is zeer moeilijk, maar noodzakelijk.

In een echte pps dient dat namelijk met de daarbij behorende winsten en risico’s te worden overgelaten aan de private partijen. Dus de overheid moet niet doneren bij tegenvallers maar ook niet zeuren over grote winsten als tegenvallers uitblijven.

Sleutel

De selectie concentreert zich dus op het publieke nut. Voor een goede evaluatie is het noodzakelijk dat de waarden door de deelnemende partijen dient te worden gemonetariseerd. Dit laatste is bepaald nog geen gemeengoed in Nederland, doch zal de sleutel zijn waar de hele prijsvraag om gaat draaien.

Het is helaas te verwachten – maar niet te hopen – dat er wordt beoordeeld op de publiek te betalen prijs en impliciet op de betrouwbaarheid van het commerciële plaatje, omdat men bang is dat de overheid voor omissies moet opdraaien. Het oude en bekende liedje van angst en wantrouwen.

Dat is dus niet goed maar wel makkelijk: de winnaar is degene die weinig of niets aanbiedt. De publiek te betalen prijs is dan namelijk laag en dat maakt kans. Dat je met het op die grond gekozen systeem geen enkel probleem oplost, doet niet ter zake. Het blijft dan modderen in polderland.

‘De overheid hoeft zich niet uit te spreken over het commerciële nut’

Reageer op dit artikel