nieuws

Wil de echte regisseur opstaan?

bouwbreed Premium

Het kabinet heeft ingezet op een drastische vereenvoudiging van de bouwregelgeving. Daaronder kan ook het grondbeleid en het instrumentarium voor ruimtelijke ordening worden gerangschikt. Op elk van die terreinen dient meer aan de markt te worden overgelaten. De vraag is hoe met zo min mogelijk voorschriften toch een zekere basiskwaliteit kan worden veiliggesteld, bijvoorbeeld bij het totstandbrengen van een stadsuitbreiding.

Bij gemeenten ligt een dergelijke benadering gevoelig. Veel bestuurders vinden dat de markt de in hun ogen belangrijke zaken (nog) niet of niet goed oppakt, zoals het bouwen van voldoende betaalbare woningen. Voor de markt is de bouw van betaalbare woningen geen issue. Die ziet het als twee gescheiden zaken: de bouw van woningen en de betaalbaarheid. Het bouwen van woningen is geen probleem en betaalbaarheid is een kwestie van prijs en kwaliteit. Wie vindt dat er betaalbare woningen worden gebouwd moet daar de infrastructuur bij leveren, in de vorm van bouwgrond, een opdrachtgever en huur- of koopsubsidie.

Hetzelfde geldt voor het willen bevorderen van economische bedrijvigheid in het algemeen en die van (lokale) werkgelegenheid in het bijzonder. Dergelijke zaken zijn, net als waterbeheer, de ecologische hoofdstructuur, bereikbaarheid, migratieprocessen en het milieu in al z’n facetten, een verantwoordelijkheid die op rijksniveau moet worden gedragen en die voor het bouwen hun samenhang vinden in de Vijfde nota ruimtelijke ordening. De vertaling daarvan naar gemeentelijk niveau brengt ons bij het bestemmingsplan en bij de vraag met behulp van welk pakket randvoorwaarden een gemeente kan volstaan om de kwaliteit van bijvoorbeeld een uitbreidingswijk veilig te stellen.

Instrument

Het bestemmingsplan is het belangrijkste instrument van ruimtelijke ordening dat de gemeente in stelling kan brengen. De nadruk op een verdere versterking ervan mag echter geen alibi vormen voor nog meer regeldrift. Tegenover een krachtig ruimtelijke-ordeningsinstrumentarium past terughoudendheid bij het al te gedetailleerd willen bepalen van de bestemming van grond. Een particulier kan zich anders terecht beknot voelen in het uitoefenen van zijn eigendomsrecht. Daarnaast is er het praktische argument dat een globaal bestemmingsplan meer ruimte biedt in het gebruik.

Het globaal bestemmen van grond is niet voldoende voor het tot stand laten komen van bijvoorbeeld een uitbreidingswijk. Daar hoort zeker bij het vastleggen van het net van hoofdwegen, dat goed moet aansluiten op het bestaande wegennet, binnen en buiten de gemeentegrens.

Aanvullend moet de verhouding tussen de hoogte van bebouwing in relatie tot de breedte van de straten en zo nodig ook de richting daarvan, worden gereglementeerd. Deze randvoorwaarde moet niet worden verward met een rooilijnplan, dat voor elke straat de breedte vaststelt, waaruit als vanzelf de hoogte van de bebouwing volgt.

Verder geeft de gemeente ook een aanduiding van het per gebied te realiseren bruto vloeroppervlak. Dat recht komt haar toe, vanwege het feit dat aan bebouwingsdichtheid diverse maatschappelijke belangen zijn te relateren, zoals die ook genoemd worden in de discussie over intensief grondgebruik.

Ten slotte geeft de gemeente de fasering aan waarmee het gebied wordt bebouwd. Ook daarin gaan maatschappelijke belangen schuil, zoals de programmering van onder meer woningbouw en ook het belang van werkgelegenheid.

Bij elkaar moet dit pakket randvoorwaarden voldoende zijn voor de totstandkoming van een goede wijk, waarbij de uiteindelijke invulling wordt verzorgd door alle afzonderlijke opdrachtgevers samen. Zij maken een wijk en daarmee zijn zij de regisseurs.

‘Markt pakt belangrijke zaken niet goed op’

Reageer op dit artikel