nieuws

Precontractuele waarschuwingsplicht omstreden

bouwbreed

Op de aannemer rust waarschuwingsplicht, indien met hem een overeenkomst is gesloten. Rust op de aannemer ook de waarschuwingsplicht als het werk nog niet aan hem is gegund, dus als de aannemer nog inschrijver is? Dit is een omstreden vraag in het bouwrecht.

Paragraaf 16 lid 4 UAV 1989 regelt de waarschuwingsplicht als een vereenkomst is gesloten. De aannemer is verplicht de directie te waarschuwen indien de constructies, werkwijzen, orders en aanwijzingen dan wel de bouwstoffen of hulpmiddelen zodanige fouten bevatten of gebreken vertonen, dat de aannemer in strijd met de goede trouw zou handelen door zonder de directie daarop te wijzen, tot uitvoering van het werk over te gaan.

Over de zogenoemde precontractuele waarschuwingsplicht staan twee opvattingen tegenover elkaar. Enerzijds is er de opvatting dat de waarschuwingsplicht van paragraaf 6 lid 14 niet rust op een inschrijver, want de UAV zijn nog niet van toepassing op deze.

Anderzijds is daar de opvatting dat dit weliswaar juist is, maar niet volledig. Immers de precontractuele waarschuwingsplicht vloeit voort uit de precontractueel in acht te nemen redelijkheid en billijkheid (in de inmiddels achterhaalde terminologie van de UAV 1989: goede trouw).

Precontractueel

In het gewone verbintenissenrecht is het fenomeen van de precontractuele verhouding en daaruit voortvloeiende verbintenissen reeds lang bekend. De Hoge Raad heeft namelijk bij herhaling uitgemaakt ‘dat partijen, door in onderhandeling te treden over het sluiten van een overeenkomst, tot elkaar komen te staan in een bijzondere door de goede trouw beheerste rechtsverhouding, medebrengende dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij’.

Jurisprudentie van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven over deze kwestie bestond tot voor kort niet. In zijn uitspraak van 8 maart 2001, nr. 21.407, BR 2001, p. 534, komt de vraag echter wel aan de orde. Deze uitspraak is dan ook belangrijk, zij het dat er hoger beroep is ingesteld.

Dit betekent dat hier wordt volstaan wordt met het attenderen op de uitspraak en dat commentaar eerst aan de orde is na de verschijning van de hoger beroep uitspraak. De zaak heeft nog een tweede interessant aspect en dat betreft de verantwoordelijkheid voor de bestektekst. Omwille van de omvang van deze bijdrage volsta ik dienaangaande slechts met een summiere samenvatting van het oordeel van arbiters.

Wat was het geval? In een RAW-bestek wordt voorgeschreven dat bemaling dient te worden uitgevoerd. Over de wijze waarop vermeldt het bestek: bronbemaling. Al vrij snel na de aanvang van het werk blijkt echter dat spanningsbemaling dient te worden toegepast en dat heeft volgens de aannemer een bestekswijziging en meerwerk tot gevolg.

De opdrachtgever is het daar niet mee eens: overeengekomen is spanningsbemaling en subsidiair wordt betoogd dat door de aannemer onrechtmatig is gehandeld door voorafgaand aan de opdrachtverlening niet te waarschuwen tegen het feit dat per abuis bronbemaling is voorgeschreven.

Vergissing

Arbiters constateren dat er inderdaad sprake is van een vergissing in het bestek: in plaats van spanningsbemaling is bronbemaling voorgeschreven. Het uitgangspunt, aldus vervolgen arbiters dan, van de RAW-systematiek is dat de opdrachtgever in beginsel verantwoordelijk is voor de door of namens hem opgestelde bestekstekst, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om van dit beginsel af te wijken. Die redenen doen zich voor. De aannemer is deskundig op het gebied van de GWW- sector en het had hem duidelijk moeten zijn dat een vergissing in het spel was, daarnaast heeft hij verzuimd om opheldering te vragen.

De aannemer wijst er onder meer op dat spanningsbemaling niet afgeleid had moeten worden uit de overgelegde stukken en dat het hem daarnaast vrij stond de tekst in vrijwel letterlijke zin te lezen, omdat er sprake is van een RAW-bestek, waarin de kosten homogeen dienen te zijn. Bij een dergelijk bestek zou van een noodzaak tot onderzoek of interpretatie zijdens de aannemer nu juist geen sprake mogen zijn.

Bijlagen

Arbiters voelen niets voor dit argument: een inschrijver moet wel kennis nemen van de bijlagen, dat er sprake is van de RAW-systematiek doet hier aan niet af. Ook de opvatting dat de RAW-systematiek tot gevolg zou hebben dat een inschrijver voor het verlenen van de opdracht de aanbesteder niet zou hoeven te waarschuwen, maken arbiters niet tot de hunne. De aannemer had opheldering moeten vragen, omdat hij voorafgaand aan het verlenen van de opdracht rekening had dienen te houden met gerechtvaardigde belangen van de opdrachtgever. Ook het feit dat de opdrachtgever bijgestaan is door een deskundige adviseur is irrelevant, aldus arbiters. De vergissing had duidelijk dienen te zijn voor de aannemer en de opdrachtgever is nu belet om alternatieve inschrijvingen serieus te onderzoeken of om een andere weg te bewandelen

De onderhavige zaak is principieel aan de orde geweest en voor de rechtsvorming is dit een goede zaak, juist omdat de meningen zo uiteen lopen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels