nieuws

Blufpoker in Haags winkelhart

bouwbreed Premium

Hij gaf Den Haag een paar winkelstraten op de plaats van een oude zieltogende passage. Hij liet zich bijstaan door architecten en bouwkundigen maar hield de regie strak in eigen hand. Portret van een Haagse lefgozer, die zo’n vastgoedimperium opbouwde, dat hij allang niet meer hoeft te bluffen. Gerard Stevers doet gewoon wat hem goeddunkt. Of de gemeente het nu goed vindt of niet.

Haagse bluf. De naam past niet alleen goed bij het project, maar typeert ook de geestelijk vader ervan: Gerard Stevers. Projectontwikkelaar, aannemer en belegger in één. In twintig jaar tijd werkte de Hagenaar zich op tot de grootste particuliere bezitter van vastgoed in de hofstad. Met zijn bedrijf de Geste Groep speelt Stevers monopoly voor het echie. Hij bezit in de hofstad inmiddels hele straten met winkels, kantoren en woningen.

Haagse Bluf zou op Prinsjesdag officieel geopend worden, maar de festiviteiten zijn vanwege de aanslagen in Amerika uitgesteld. Het is Stevers grootste project tot nu toe, dat het Haagse winkelhart in één klap verrijkte met een aantal winkelstraten rond een intiem plein. De winkels, zogenaamde one-brand-stores, zijn ondergebracht in nieuwe panden achter een moderne gevel van glaspanelen. Her en der heeft Stevers tegen die glazen wand gevels van monumentale panden uit Den Haag en Delft geplaatst. Niet een beetje laf geïmiteerd, maar minutieus, steen voor steen, nagebouwd. Inclusief dakconsoles van houtsnijwerk, smeedijzeren hekwerken en andere details.

Vandaar ook de naam. Want het is hartstikke nep, maar tegelijkertijd ook helemaal echt. Want Stevers heeft zijn kopieerdrang tot in het perfecte doorgevoerd en heeft de gietijzeren kolommen en liggers voor zijn versie van een beroemd jugendstil-pand op de Denneweg helemaal in China opnieuw laten gieten. En dankzij speurwerk in het gemeente-archief is de bluf-versie van het Bruidshuis veel authentieker dan het origineel op het Noordeinde. Alleen al aan houtsnijwerk voor de etalage heeft hem dat 150.000 gulden gekost, maar Stevers wilde het nu eenmaal helemaal perfect hebben.

Disneyland

De verrassende potpourri van gebouwen uit de Nederlandse Gouden Eeuw, rond het plein, is het meest geslaagde deel van Haagse Bluf. In de vier toegangen die tot het centrale plein leiden haalt Stevers nog allerlei andere grappen en grollen uit. Zo is er een kleine passage in Engelse stijl, een blinde muur die suggereert dat het de achterkant van een dichtgemetselde kathedraal betreft, originele fonteinen uit de Provence en een heuse Venetiaanse toren met carillon dat ieder half uur een deuntje speelt. Het is een soort Disneyland in het klein, dat sommigen de wenkbrauwen zal doen fronsen. De Welstandscommissie stond ook niet te juichen bij zijn plannen en sneerde dat Stevers maar eens bij John de Mol moest aankloppen met zijn RTL-architectuur. Maar met hulp van plaatselijke politici mocht hij toch zijn plannen doorzetten.

Want die plannen betekenen een flinke impuls voor het Haagse winkelcentrum. “Iedereen weet hoe dat gedeelte van Den Haag er tot voor kort bij lag”, vergeeft Stevers zijn uitglijders. De overdekte Passadena-passage die er lange tijd te vinden was, leidde van niks naar niks en wist nauwelijks publiek te trekken. Bovendien veroordeelde de bevoorradingszone, uitgevoerd in zwaar beton, de steeg erachter tot een obscuur bestaan, waarin alleen nog wat koffieshops en een dubieuze disco zich durfden te vestigen.

Erfenis

Stevers erfde de Passadenapassage zes jaar terug van zijn vader, die ook in het vastgoed zat. Hij wist meteen dat hij het grondig zou aanpakken, maar dacht aanvankelijk in de richting van een grotere, eigentijdse passage. De bouwplannen hiervoor waren al ingediend, toen hij zich realiseerde dat hij de commerciële ramp die de passage altijd was geweest, waarschijnlijk alleen maar zou vergroten. Hij besloot het roer radicaal om te gooien en er een open winkelgebied van te maken. Daarvoor moest hij wel eerst in het bezit zien te komen van zes aanpalende panden, om doorbraken naar andere winkelstraten te forceren. Dat liet hij doen door ‘katvangers’ om zijn bedoelingen niet te verraden. Dat zou immers de prijs alleen maar opdrijven. Maar in twee jaar tijd had hij de panden die hij nodig had en kon het grote breken, slopen en weer opbouwen beginnen.

Architecten en bouwkundigen stonden hem daarin bij, maar de regie hield hij strak in eigen hand. Een architect naast Stevers moet geen al te groot ego hebben, wordt wel duidelijk. Die moet vooral uitvoeren wat er in het brein van de opdrachtgever opborrelt. Naast winkels plande Stevers horecagelegenheden in het complex, woningen en een gezinsvervangend tehuis. Die moet voor voldoende levendigheid zorgen, ook na winkelsluitingstijd, zodat de boel niet verloedert.

Terwijl schilders en stukadoors nog druk bezig zijn in Haagse Bluf, heeft Stevers zijn aandacht al weer verlegd naar een paar straten verderop. Achter De Passage bezit hij ook een reeks panden in steegjes die tot nu toe niet echt uit de schaduw van dat monument van het fin de siècle bouwen konden treden. Maar Stevers is vast van plan ook die stegen in een aantrekkelijk gebied te veranderen. Wederom door een uitgekiende combinatie van wonen, winkelen en horeca.

Bij de uitvoering van die plannen heeft hij een pand dat op de gemeentelijke monumentenlijst neer laten halen. Hij vond er niks aan en wilde op die hoek een opvallend wulps gebouw laten maken met een voile van geperforeerd plaatstaal. Het ontwerp van Eric Vreedenburgh van Archipel Ontwerpers heet in de volksmond inmiddels ‘de baljurk’ en heeft met de hele ontstaansgeschiedenis tot felle discussies geleid in de Haagse politiek.

Betweters

Volgens Stevers is het vooral de Welstandscommissie die bezwaar maakt tegen zijn plannen. Met de stedelijke dienst Monumentenzorg is zijn verstandhouding best. Die zijn blij met alle panden die hij piekfijn terugrestaureert en nemen het volgens Stevers op de koop toe, dat er dan ook af en toe eentje sneuvelt. Maar de verhoudingen tussen Stevers en de Welstandscommissie zijn duidelijk gespannen, al is hij niet van plan er zijn humeur door te laten verpesten. Hij krijgt ze wel, dat stelletje betweters. Zoals bij de straatverlichting in Haagse bluf. De gemeente wilde graag dat daar de lichtbakken werden toegepast die ook elders in het winkelhart hangen. Stevers vond ze echter een smet op zijn project en pakte ze eenvoudigweg in gigantische koperen rozen die hij voor veel geld door een kunstenaar liet smeden. En daar bungelen ze nu, boven de toegangsstraten van Haagse Bluf. Alleen wie het weet, ontwaardt tussen de rozenblaadjes hoog boven hem de originele Haagse lichtbak. Je kunt het mooi vinden of niet, maar Gerard Stevers heeft zijn zin gekregen. En geen welstandsambtenaar die hem iets kan maken.

Een architect naast Stevers moet geen al te groot ego hebben

Reageer op dit artikel