nieuws

GSM-zendinstallaties en beleid

bouwbreed Premium

Recent heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’) zich – in haar uitspraak van 5 april 2001 (NJB 2001, p. 901) – uitgelaten over de vraag of voor GSM-zendinstallaties een bouwvergunning is vereist. In de zaak die tot die uitspraak leidde had KPN (zonder over een bouwvergunning te beschikken) verschillende GSM-zendinstallaties, onder meer op woongebouwen, in de gemeente Haarlemmermeer opgericht.

B en W van Haarlemmermeer nam het besluit waarin KPN de zendinstallaties moest verwijderen omdat deze zonder vereiste bouwvergunning waren gebouwd. KPN was het met deze uitspraak oneens. Zij vond dat zendinstallaties onder de vergunningvrije bouwwerken als bedoeld in de Woningwet vallen. Tevergeefs, want de Afdeling oordeelde dat voor deze installaties wél een bouwvergunning is vereist.

Vervolgens kwam de vraag of B en W jegens KPN zou moeten afzien van handhaving van haar besluit, kortom of de reeds gebouwde zendinstallaties konden blijven staan? Volgens de Afdeling is daarvan sprake als concreet uitzicht bestond op legalisering van de illegale situatie. Dat uitzicht bestond volgens haar niet. Van belang daarbij was dat in de gemeente Haarlemmermeer inmiddels een GSM-beleidsnota gold, waarin nauw omschreven was onder welke voorwaarden de gemeente met de bouw van zendinstallaties, specifiek op woongebouwen, zou instemmen.

GSM-beleid

Een van de pijlers van dat beleid was dat de gemeente het bouwen van zendinstallaties op woningen moest weren in verband met het woongenot. De stelling van KPN dat het GSM-beleid onredelijk was omdat dit alleen gebaseerd was op gezondheidsrisico’s en niet stedenbouwkundige motieven, strandde. De Afdeling stelde: “Nu op dit moment niet objectief vaststaat dat het plaatsen van een zendinstallatie geen effect heeft op de gezondheid, acht de Afdeling het niet onredelijk dat B en W maatschappelijke onrust en vrees voor gezondheidsrisico’s van invloed hebben geacht op het woongenot, een van de stedenbouwkundige aspecten, en in dit verband bij de afweging van belangen hebben betrokken”.

Kortom: het besluit van B en W bleef volledig in stand en KPN diende de door haar geplaatste zendinstallaties werkelijk te verwijderen.

Volgens de huidige wetenschappelijke inzichten leiden de velden van GSM-zendinstallaties niet tot verhoogde gezondheidsrisico’s. Toch blijft hierover veel onrust bestaan bij mensen die naast of onder een GSM-zendinstallatie wonen. Opvallend is dat door rechters wisselend wordt gedacht over het gewicht dat aan die onrust moet worden toegekend. Dit wordt geïllustreerd door een uitspraak van de kantonrechter te Heerlen van 24 januari 2000 (WR 2001, 7). In die zaak was een overeenkomst gesloten tussen Libertel en de eigenaar van een flatgebouw, waarmee Libertel het recht had om een GSM-zendinstallatie op het dak van dat flatgebouw te plaatsen. De flateigenaar zei die overeenkomst (welke door de kantonrechter als ‘huur’ werd gekwalificeerd) op vanwege zwaarwegende redenen, bestaande uit de onrustgevoelens van enkele huurders van de flat inzake veiligheids- en gezondheidsaspecten van de installatie. De kantonrechter vond die redenen niet voldoende zwaarwegend en overwoog daartoe: “naar huidig wetenschappelijk inzicht is op grond van de resultaten van de door TNO in situ gevoerde metingen geen enkel gevaar voor de gezondheid te vrezen. Dat bij een gering percentage van de bewoners de vrees reeds aanleiding kon zijn tot psychische of lichamelijke klachten was evenmin voldoende om gewicht in de schaal leggen”.

De overeenkomst tussen de flateigenaar en Libertel bleef volgens de kantonrechter dan ook in stand en de flateigenaar moest Libertel het huurgenot voor de GSM-zendinstallatie blijven verschaffen.

Onrust

Essentieel verschil tussen de hier beschreven situaties is, dat in het eerste geval B&W de maatschappelijke onrust al in haar beleid had verdisconteerd ten tijde van de vaststelling van de beleidsnota. Bij toetsing aan dat beleid zal een rechter zich terughoudend opstellen. In het tweede geval had de flateigenaar bij het aangaan van de overeenkomst met Libertel geen rekening gehouden met de maatschappelijke onrust, althans daarin geen belemmering gezien. Hierdoor had de flateigenaar volgens de kantonrechter een risico genomen dat aan hem kon worden tegengeworpen. De onrustgevoelens van de bewoners ten spijt.

Mr Sanne K. Schreurs

Praktijkgroep onroerend goed

Schut & Grosheide advocaten notarissen

Reageer op dit artikel