nieuws

Ernstig verwijtbaar is erger dan ‘gewoon’ verwijtbaar

bouwbreed Premium

Wanneer is er sprake van verwijtbaarheid en wanneer van ernstige verwijtbaarheid? Of gaat het eigenlijk om hetzelfde begrip? Men kan zich de vraag stellen of het voor aansprakelijkheid wel uitmaakt of iets “gewoon” onrechtmatig of ernstig onrechtmatig is.

Dat met ernstige verwijtbaarheid toch aan een schuldgradatie gedacht moet worden, heeft de Hoge Raad zeer recent in een belangrijk arrest uitgemaakt. Het gaat daarbij om de procedure van de Staat der Nederlanden tegen AKZO Nobel, die door de Staat op 5 september 1986 (15 jaar geleden!) aanhangig was gemaakt. De Staat vorderde daar op grond van artikel 21 Interimwet bodemsanering de kosten van sanering van een bedrijventerrein. Zoals bekend heeft de Hoge Raad in een eerdere fase van de rechtsstrijd in april 1992 beslist, dat het vòòr 1 januari 1975 niet onrechtmatig jegens de Staat was om een eigen bedrijfsterrein te verontreinigen, behalve in specifieke omstandigheden.

Over die uitspraak is zeer veel gepubliceerd, waarbij de één de rechtspraak toejuichte en de andere maar moeilijk de consequenties daarvan kon accepteren. Bij de laatste groep zat ook het Ministerie van VROM. Het Ministerie zag immers een forse streep gezet door de talloze procedures die de Staat aanhangig had gemaakt tegen vervuilers en aldus dreigde de Staat vele miljoenen guldens mis te lopen.

Het Ministerie was echter niet voor één gat te vangen en besloot tot wetswijziging. De Advocaten-generaal bij de Hoge Raad heeft in zijn conclusie bij het laatste arrest van de Hoge Raad het aldus verwoord: “In een notendop samengevat komt het er op neer dat de verantwoordelijke bewindslieden hebben geprobeerd om met terugwerkende kracht een ruimer verhaalsrecht te introduceren.”

Uitbreiding

Ingevoerd werd immers een artikel 75 Wet bodembescherming, dat ook in reeds lopende procedures van toepassing werd (hetgeen zeer uitzonderlijk is!). Via een ingewikkelde wetgevingsoperatie werd artikel 75 Wbb uitgebreid, welke uitbreiding er op neerkomt dat de Staat toch een verhaalsactie had, ook indien niet onrechtmatig jegens enige overheid werd gehandeld, indien aan twee voorwaarden werd voldaan.

Wetsgeschiedenis

Er is toch reden voor aansprakelijkheid indien: “(a) de veroorzaker op het moment waarop de verontreiniging of aantasting door zijn toedoen werd veroorzaakt de ernstige gevaren kende die aan de stoffen, die de verontreiniging of aantasting hebben veroorzaakt, verbonden waren, dan wel deze gevaren behoorde te kennen, én (b) de veroorzaker met het oog op deze ernstige gevaren zich verwijtbaar niet van de verontreinigende of aantastende gedragingen heeft onthouden, terwijl, indien deze gedragingen in beroep of bedrijf hebben plaatsgevonden, voor wat betreft de verwijtbaarheid in het bijzonder in aanmerking moet worden genomen: (1) de destijds in vergelijkbare bedrijven gebruikte bedrijfsvoering en (2) de destijds bestaande en voor de veroorzaker redelijkerwijs toepasbare alternatieven.” Omdat de Eerste Kamer dit toch wel weer te ver ging, is in de definitieve wetstekst het woord “ernstig” tweemaal toegevoegd bij de verwijtbaarheid.

Nadat de wet gewijzigd was procedeerden de Staat en AKZO voort, waarbij de Staat zich op het standpunt stelde dat er juridisch geen verschil bestaat tussen verwijtbaarheid en ernstige verwijtbaarheid, terwijl AKZO vanzelfsprekend het tegendeel bepleitte. Gelet op de wetsgeschiedenis mag het geen verwondering wekken dat er wel een verschil aanwezig moet worden geacht. De Hoge Raad: “Aangenomen moet worden dat met ernstige verwijtbaarheid een schuldgradatie wordt aangeduid, waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat slechts aansprakelijkheid bestaat als opzettelijk of bewust roekeloos is gehandeld. Daarbij moet het derhalve gaan om gevallen waarin ondanks het bestaan van redelijkerwijs toepasbare alternatieven willens en wetens of met grove onverschilligheid ten aanzien van de gevolgen, kort gezegd, stoffen op of in de bodem zijn gebracht die tot verontreiniging hebben geleid.”

Het Hof had het in de ogen van de Hoge Raad derhalve wederom niet goed gedaan, zodat thans het Gerechtshof in Den Bosch de zaak verder kan gaan beslissen.

Ongetwijfeld zult u in de komende tijd zeer veel over deze uitspraak van de Hoge Raad gaan lezen, omdat veel interessante aspecten in de uitspraak zitten. Het lijkt er in elk geval op dat de Hoge Raad het verschil tussen gewone en ernstige verwijtbaarheid niet tot bodemverontreiniginggeschillen wil beperken, zodat het arrest waarschijnlijk een bredere betekenis toekomt, waarmee in de rechtspraktijk van alledag rekening gehouden zal moeten worden.

Mr. Rutger Oranje, partner Schut & Grosheide Advocaten Notarissen, Praktijkgroep onroerend goed, telefoonnummer 020-5419809

Reageer op dit artikel