nieuws

Modern huwelijk met architect

bouwbreed Premium

De rechtsverhouding die ontstaat na de verlening van een opdracht aan een architect is te vergelijken met een modern huwelijk. Net zoals bij een duurzame ontwrichting van het huwelijk man en vrouw uit elkaar kunnen gaan, kan zowel de opdrachtgever als de architect de aan de laatste gegeven opdracht opzeggen.

Bij andere overeenkomsten kan de ene partij eisen dat de ander zijn verbintenis nakomt. De opdrachtgever noch de architect hoeft een reden op te geven waarom hij van de ander afwil. Maar die ander kan wel consequenties verbinden aan de eenzijdige verbreking van hun rechtsverhouding. Die gevolgen worden geregeld in de Standaardvoorwaarden Rechtsverhouding opdrachtgever-architect, de SR 1997.

Het hangt helemaal af van de reden die een van beide partijen heeft gehad om de opdracht op te zeggen, de meest voorkomende oorzaak van de voortijdige beëindiging van hun overeenkomst. Als die gelegen is in de wanprestatie van een van beide zijn de financiële consequenties natuurlijk anders dan in een overmachtsituatie.

Niet alleen het eenzijdig beëindigen van de rechtsverhouding kan aanleiding zijn voor een rechtsgeding. Maar al te vaak bestaat er onenigheid over de omvang van de opdracht. Zo ook in het geding dat een architect voor het Arbitrage Instituut Bouwkunst (AIB) aanspande tegen zijn een woningbouwvereniging. Die had hem in 1996 gevraagd een haalbaarheidsonderzoek te verrichten voor de bouw van een woontoren in R(otterdam?).

Bijstelling

Zijn eerste opzet daarvoor leidde tot een bijstelling van het programma van eisen. Ook dat tweede plan bleek financieel niet haalbaar. Nadat de woningbouwvereniging een adviesbureau had ingeschakeld kreeg dezelfde architect opdracht een alternatief plan te maken. Hij diende dat in met de aantekening dat de uitvoering ervan mogelijk zou zijn als een aantal financiële randvoorwaarden zouden worden bijgesteld. Maar de woningbouwvereniging kwam tot de conclusie dat ook dit nieuwe plan financieel niet haalbaar was omdat per woning in de toren -20.000.- zou moeten worden toegelegd. De architect kreeg meteen te horen dat hem dus geen vervolgopdracht zou worden gegeven.

Daarmee was de kous echter niet af, want de architect vond dat hem een reguliere opdracht voor de uitvoering van alle standaardwerkzaamheden, die in de bij de verlening van de opdracht toepasselijke SR 1988 zijn omschreven, gegeven was. De eerste daarvan is het voorlopige ontwerp, dat hij al had gemaakt.

Hij vond dat de woningbouwvereniging hun relatie niet zonder meer had mogen beëindigen en de vervolgopdracht aan hem had moeten geven. Die had zij niet aan hem, maar aan een andere architect verstrekt. Maar de woningbouwvereniging had niet eens een “duurzame ontwrichting” van haar verhouding met deze architect behoeven aan te tonen om hun relatie te verbreken. De enige vraag was of zij op grond van de tussen hen overeengekomen SR 1988 tot enige schadevergoeding was gehouden.

De architect wilde naast de vergoeding op basis van art. 74 lid 1 van die SR ook nog een vergoeding van de overige schade die hij zei te hebben geleden.

De opdrachtgeefster meende dat de architect geen aanspraak kon maken op de toeslag van 15 procent die art. 74 toekent aan de architect die – zonder dat hem enige wanprestatie kan worden verweten – wordt opgezegd, omdat hem niet meer dan een haalbaarheidsonderzoek was opgedragen.

Het AIB begon zijn beoordeling van dit geschil met te constateren dat het hier een op zichzelf staande opdracht betrof, waaraan geen recht op een opdracht voor de standaardwerkzaamheden kan worden ontleend. Elke opdrachtgever kan de resultaten van zo’n onderzoek naast zich neerleggen. Het enige waartoe hij verplicht is, is het betalen van het voor dat onderzoek overeengekomen honorarium.

Voorschot

Wel had de architect bij de indiening van zijn alternatieve plan een voorschot voor het voorlopig ontwerp gedeclareerd, dat zijn opdrachtgeefster was betaald zonder de opmerking dat hem daarvoor geen opdracht was gegeven. Dat was, voor de arbiters van het AIB geen reden om daarin een stilzwijgende instemming met het verlenen van een vervolgopdracht te zien. Ik kan die betaling zonder enig commentaar niet anders uitleggen dan dat de woningbouwvereniging toen nog ervan uitging dat aan hem wel de vervolgopdracht tot

– tenminste – het maken van een vervolgontwerp zou worden gegeven. Dat bij deze architect de suggestie is gewekt dat hij ook het voorlopig ontwerp moest maken, lijkt mij wel een reden om hem althans daarvoor ook een vergoeding toe te kennen.

De arbiter, die deze zaak behandelde, was echter onverbiddelijk.

In ieder geval was duidelijk dat de architect geen 15 procent toeslag kreeg, omdat hier geen sprake zou zijn geweest van een voortijdige beëindiging van zijn opdracht.

Reageer op dit artikel