nieuws

Welstand: adviseur met heel veel macht

bouwbreed

Volgens de letter van de wet is een welstandscommissie slechts adviseur van het gemeentebestuur. In de praktijk blijkt echter dat hun oordeel zelden wordt aangevochten.

Volgens de Woningwet beoordelen burgemeester en wethouders of een bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie fungeert daarbij slechts als adviseur. B en W kunnen, als zij daar goede gronden voor hebben, het oordeel van de welstandscommissie naast zich neerleggen. Er lijkt dus geen vuiltje aan de lucht: het uiteindelijke oordeel komt immers toe aan een democratisch orgaan: het college. Maar is dat wel zo? De goede gronden om van het commissie-oordeel af te wijken moeten (totnogtoe) pure welstandsgronden zijn. Doorgaans zullen de collegeleden van welstand weinig kaas hebben gegeten. Die kennisachterstand bevordert de neiging de aangeboden welstandsadviezen onverkort over te nemen, wat in de meeste gevallen ook gebeurt. Maar er is nog iets anders. Een voorbeeld ter illustratie.

Organisch

In 1992 werd in Amsterdam een vergunningsaanvraag ingediend voor de bouw van een basisschool. Het was een hallenschool, een type waarin de klaslokalen gegroepeerd zijn rond een centrale gemeenschappelijke ruimte. De architectuur was organisch, met veel schuine lijnen en vlakken. Het ontwerp kon de welstandscommissie niet behagen: het was rommelig en maakte een niet-stedelijke indruk. Nadat het tweemaal was afgekeurd gaf het schoolbestuur de architect opdracht een nieuw ontwerp te maken dat in ieder geval door de commissie zou worden goedgekeurd. Het werd, mede als gevolg van eerdere suggesties vanuit de commissie, een langgerekte gangenschool. Maar helaas, ook dit plan werd afgekeurd en de architect kreeg nu zelfs een commissielid toegevoegd om de nieuwe aanpassingen in goede banen te leiden. Dat lid nu, bleek rond die tijd een artikel te hebben gelezen over organische architectuur. Dat leidde bij de volgende beoordeling tot een opmerkelijke ommekeer. De commissie oordeelde dat terugkeer naar het eerste ontwerp het verstandigst was. Dat was dan wel niet overtuigend, maar het sprak tenminste duidelijk de inmiddels kennelijk respectabel geachte organische taal. Voor die terugkeer ontbraken inmiddels echter tijd – er was een deadline in verband met de subsidieverstrekking – en geld. De welstandscommissie werd met succes onder druk gezet om het eerste ontwerp voor de langgerekte school goed te keuren. De balans van deze treurige geschiedenis was dat het gebouw een ton duurder uitviel en dat uiteindelijk niemand het ontwerp had gekregen dat hij eigenlijk wilde.

Soap

Het traject tussen het eerste contact met de welstandscommissie en het uiteindelijke besluit van B en W kan, blijkens het bovenstaande voorbeeld, lang zijn. Iedereen kent uit zijn eigen omgeving ook wel een voorbeeld van zo’n soap van afkeuren, aanpassen, nog eens afkeuren, nog eens aanpassen enzovoort. De vergunningsaanvrager moet vaak meerdere malen inleveren op het oorspronkelijk ingediende plan, dat naar aangenomen mag worden, toch zijn ideaalplan was. Hij kan natuurlijk bij de eerste afkeuring de poot stijf houden en B en W vragen om over het oorspronkelijke plan te oordelen, maar het is de vraag of dat vaak zal gebeuren. Niet alleen omdat het college van B en W het welstandsadvies doorgaans overneemt, maar ook omdat architecten en sommige opdrachtgevers, zoals woningbouwverenigingen en projectontwikkelaars, weinig behoefte voelen de welstandscommissie tegen de haren in te strijken; later zullen zij daar met andere projecten ook weer te biecht moeten. Drie vragen zijn in dit verband interessant. Hoe vaak bereikt een ingediend plan B en W ongewijzigd, hoe vaak gebeurt dat na één of meer aanpassingen en hoe vaak komt een plan met een definitief negatief oordeel bij het college?

Onafhankelijk

Een kijkje in de notulen van de Haarlemse Schoonheidscommissie leverde op dat in 1998 ongeveer twintig procent van de plannen ongeschonden doorkwam en driekwart min of meer gewijzigd. Aan een kleine vijf procent bleef een negatief advies verbonden. Zeker driekwart van de plannen werd dus min of meer ingrijpend gewijzigd voordat B en W aan de eigen definitieve afweging konden toekomen. Waar wringt nu precies de schoen? Andere instanties, zoals bouwtoezicht, brandweer en stadsontwikkeling, geven netzogoed adviezen aan het college van B en W. Maar dat zijn ambtelijke instanties. Zij kunnen instructies krijgen en ter verantwoording worden geroepen en aan hun adviezen liggen bevoegd vastgestelde objectieve toetsingsnormen ten grondslag. De welstandscommissies daarentegen, zijn onafhankelijk en hun toetsingsnormen zijn bijzonder elastisch. Opgelegde planwijzigingen, zoals in het Amsterdamse welstandsdrama, zijn ingrepen vooraf in de redelijke balans die het bestuur, B en W dus, volgens de wet moet handhaven tussen het te dienen doel (het algemeen belang) en de voor de belanghebbende nadelige gevolgen. In driekwart van de gevallen heeft het bestuur echter geen benul van de eerder opgelegde wijzigingen. Machtig is de welstandscommissie dus zeker.

De Tweede Kamer behandelt binnenkort een wetsvoorstel voor wijziging van het welstandstoezicht. Vandaag het derde deel van een serie van zeven over dit fenomeen. Voorgaande delen verschenen op 15 en 21 september.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels