nieuws

Expert in het ‘lezen’ van oude gebouwen

bouwbreed

Bouwhistorie was tot voor kort een bezigheid die in de praktijk werd geleerd. Met het aantreden van Dirk Jan de Vries als eerste hoogleraar Bouwhistorie aan de Universiteit in Leiden komt daar verandering in. Een interview met een expert in het ‘lezen’ van gebouwen.

In een mum van tijd maakt dr. Dirk Jan de Vries (47) duidelijk dat bouwhistorici een spannende “tak van sport” beoefenen. “Aan de hand van metselverbanden, kapconstructies of balklagen kun je opmaken van wanneer een gebouw dateert. Elk gebouw vertelt zijn eigen verhaal.” Ter illustratie pakt hij een boek en toont hij een foto van in hout aangebrachte telmerken. “De nummeringen verraden hun ouderdom. Tot op een jaar nauwkeurig weten we zelfs vast te stellen in welk jaar het hout gekapt is. Zelfs het gebruikte gereedschap kunnen we herleiden. Of neem baksteen; de kleur, de plaats van toepassing, de dikte van muren, het metselverband en het formaat zijn bepalend voor de datering. Oude gebouwen stammen bovendien zelden uit één periode.”

Enthousiasme

Zijn kennis van zaken en zijn enthousiasme kan De Vries binnenkort doorgeven op de Universiteit van Leiden, waar hij zes jaar geleden promoveerde op ‘Bouwen in de laten middeleeuwen’. Per 1 september treedt hij aan als bijzonder hoogleraar bouwhistorie, de eerste in Nederland. De leerstoel, een initiatief van de Stichting Bouwhistorie Nederland en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, werd ingesteld bij de opleiding kunstgeschiedenis. Was het niet logischer geweest de afstudeerrichting op een technische universiteit onder te brengen? De Vries: “Die mogelijkheid is wel geopperd, maar bleek niet in een behoefte te voorzien. Ik vind het jammer, want het zou daar zeker in passen. Maar een module als restauratiekunde wordt ook al in Delft gegeven.” De Vries combineert het hoogleraarschap met zijn werkzaamheden bij de Rijksdienst voor Monumentenzorg, waar hij werkzaam is als landelijk coördinator bouwhistorie. De kersverse hoogleraar ziet zijn benoeming als “een erkenning” van zijn vakgebied. De Vries: “Tot nu toe was bouwhistorie een bezigheid die in de praktijk werd geleerd. De generatie vóór mij heeft de basis gelegd en enkele onderdelen van het vak ontsloten.” Ook J.J. Voskuil blijkt met ‘Van Vlechtwerk tot baksteen’ een bijdrage te hebben geleverd, een boek over de verstening van het boerenhuis.

Authenticiteit

Als wetenschap staat bouwhistorie nog in de kinderschoenen. De onderzoeksrichting bestaat pas enkele decennia. Ter vergelijking: architectuurgeschiedenis is al vijftig jaar een afstudeerrichting. “Architectuurgeschiedenis richt zich meer op stijlen, wij trekken ons niets van stijlen aan” verduidelijkt De Vries het verschil. “Bouwhistorie kenmerkt zich door een materiële benadering, niet de archiefbronnen maar het gebouw zelf is bron en uitgangspunt, de drager van zijn eigen geschiedenis. In dat laatste deelt het de opgave van Monumentenzorg. Door ons werk onderscheiden we authenticiteit van verandering en namaak.” Nederland telt momenteel zo’n vijftig professionele bouwhistorici. Te weinig, meent De Vries. De komende tien jaar hoopt hij in zijn nieuwe hoedanigheid dat aantal te verdubbelen. Daarbij valt er nog genoeg onderzoek te verrichten. Hij noemt de maatstelsels in kapconstructies aan de hand van hart- en kraslijnen, de aanwezigheid van traptorens en kelderconstructies. “Maar je kunt ook denken aan stedenbouwkundige studies over de omvang van stadsbranden.” De expert in het ‘lezen’ van oude gebouwen wil daarnaast ook zijn vak meer onder de aandacht brengen. Een belangrijke stap in die richting is de verschijning van een Basisboek Bouwhistorie dat al in concept klaar ligt. In Nederland ondergaan jaarlijks zo’n vijftienhonderd rijksmonumenten een verbouwing of restauratie. Voorafgaand bouwhistorisch onderzoek gebeurt in toenemende mate maar is niet verplicht, iets dat De Vries wel zou toejuichen. De hoogleraar pleit voor een betere samenwerking tussen architecten en bouwhistorici. “Dat leidt tot betere eindresultaten. Een restauratie geschiedt daardoor bewuster, goedkoper en zorgvuldiger.” Hij noemt hij het Duitse Huis in Utrecht dat werd getransformeerd tot een vijfsterrenhotel.

Uitvoerend

Ook de uitvoerende bouw zou daarin een prominenter rol kunnen spelen, meent hij. “Bouwers zouden eerst moeten denken en dan doen. Er wordt nog veel te veel verwijderd en nodeloos vervangen. De aantasting van oude houten balken kan bijvoorbeeld al eeuwenlang geleden gestopt zijn. Respecteer dat oude patina als iets bijzonders.” De Vries ondervond al op jonge leeftijd de geneugten van een monument. In zijn ouderlijk huis kroop hij al snel tussen de verlaagde plafonds. “Oude gebouwen hebben dat geheimzinnige, dat ondoorzichtige.” Nu bewoont hij zelf ook een veelzijdig (“de gevel is 17de eeuws van opzet, de voorgevel stamt uit de 19de eeuw en sommig muurwerk dateert uit de Middeleeuwen”) rijksmonument. “Ik kan zelf helemaal opgaan in oude gebouwen. Via de nieuwe studie hoop ik dat enthousiasme over te brengen op de studenten en op anderen die met monumenten van doen hebben.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels