nieuws

Stedelijke druk op platteland te hoog

bouwbreed

Bij plattelandsvernieuwing kunnen de nodige kritische kanttekeningen worden gemaakt, meent drs. Dirk Strijker. De stedelijke druk op het platteland neemt toe. En het is maar de vraag hoe nuttig al die nieuwe activiteiten voor de boeren zelf zijn.

In het Hbo zijn de eerste opleidingen ‘plattelandsvernieuwing’ inmiddels gestart. De afgestudeerden moeten het platteland, en vooral de boeren, op weg helpen met verbreding van het landbouwbedrijf. De gedachte is ontwikkeld aan de Landbouwuniversiteit, en politiek overgenomen door het Ministerie van Landbouw. Agrarisch natuurbeheer, zorgboerderijen, boerencampings en huisverkoop van agrarische producten moeten boerenbedrijven van een nieuwe toekomst voorzien.

Sinds het eerste paarse kabinet is er op het terrein van plattelandsvernieuwing veel in gang gezet. Van steunfuncties tot kenniscentra, van strategische allianties met natuurorganisaties tot subsidieregelingen. De oorspronkelijke gedachte achter plattelandsvernieuwing was dat door het verbreden van de functie van de landbouw, aan boerenbedrijven een nieuw, duurzaam perspectief geboden kan worden. En daarmee zou ook het platteland een nieuwe dynamiek krijgen: plattelandsproblemen, voor zover die in Nederland bestaan, zullen erdoor opgelost worden.

Rommeltje

Inmiddels is plattelandsvernieuwing door de politiek wat breder getrokken: het gaat niet meer om landbouw alleen, maar ook om het omgaan met stedelijke druk door integraal plattelandsbeleid. Omdat de coordinatie bij het ministerie van LNV ligt, is de feitelijke invulling toch nog steeds sterk agrarisch. Een belangrijk aspect van plattelandsvernieuwing is dat het “bottom-up” moet zijn. Op lokale schaal moeten ideeen en voorstellen ontstaan. De consequentie kan zijn dat het op het schaalniveau van “het Nederlandse platteland” een rommeltje wordt.

Ik wil een aantal kanttekeningen plaatsen bij de veelgeprezen plattelandsvernieuwing. De eerste is dat de landbouw in werkelijkheid slechts een bescheiden rol speelt op het platteland. In de meest duidelijke plattelandsgebiedjes _ kleine dorpjes met omliggend buitengebied _ blijkt de bijdrage van de landbouw en aanhangende bedrijvigheid aan het besteedbaar inkomen maximaal ongeveer een kwart te zijn. In wat grotere plattelandsgebieden, waar ook grotere plaatsen toe behoren, zoals de Veenkolonien, is de bijdrage minder dan tien procent. De rest komt uit andere bedrijvigheid, of wordt bijvoorbeeld via pendel binnengebracht. Dat wil niet zeggen dat we de landbouw moeten verwaarlozen, of moeten afdoen als een achterhaalde sector. Maar het omgekeerde, de economische ontwikkeling van het platteland ophangen aan de landbouw, kan slechts tot teleurstelling leiden. Er zijn dus inderdaad goede redenen om plattelandsvernieuwing breder te trekken dan landbouw alleen.

Parttime landbouw

Een tweede kanttekening betreft het nut van plattelandsvernieuwende activiteiten voor de landbouwsector zelf. Na een forse beleidsinspanning blijkt de inkomensbijdrage van dergelijke niet-agrarische bedrijvigheid aan het boereninkomen nog steeds zeer beperkt te zijn. Van het totale gezinsinkomen van boerenbedrijven komt 0,6% uit agrarisch natuurbeheer en 0,3% uit agro-toerisme.

Een derde kanttekening betreft de wenselijkheid van dergelijke activiteiten. Er is natuurlijk een categorie landbouwbedrijven gebaat bij dergelijke verbredingen. Maar de middelen die in de verbredende activiteit gestoken worden gaan wellicht ten koste van de verdere ontwikkeling van de agrarische tak. Ook is duidelijk dat landen met veel parttime landbouw _ en daar leidt zo’n niet-agrarische tak toe _ internationaal niet erg concurrerend zijn. Daarnaast is het de vraag of dergelijke verbrede activiteiten wel zo duurzaam zijn. Niet elke opvolger zal geinteresseerd zijn in het voortzetten van zo’n multifunctioneel bedrijf.

Campings

En dan is er het risico dat de niet-agrarische activiteiten een sta-in-de-weg worden voor collega-boerenbedrijven. Een zorgboerderij of een boerencamping kan op termijn schaduwwerking voor andere bedrijven hebben. Daarmee kan de ontwikkeling van de landbouw in een gebied geremd worden.

Dat brengt me op de kern van mijn bedenkingen. Van oudsher wordt er in Nederland door de overheid goed nagedacht over welke functies we waar willen toestaan. Botsende activiteiten proberen we bij elkaar uit de buurt te houden. We proberen een open platteland te behouden door compact te bouwen, we staan niet overal campings toe, en winkels willen we graag geconcentreerd zien in binnensteden en winkelcentra. Door met plattelandsvernieuwing van alles toe te staan, mits het van onderop gebeurt, of door een boer gebeurt, tasten we wellicht het platteland, en ook de concurrentiekracht van de landbouwsector aan.

Stankcirkels

Het is niet alleen plattelandsvernieuwing die voor ongecoordineerde ontwikkelingen op het platteland zorgt. De recent, in het kader van het mestbeleid, aangekondigde “huizen voor stallen”-regeling, doet hetzelfde. In gebieden zonder een speciale beschermingsstatus voorziet de regeling in de mogelijkheid varkensstallen af te breken en te vervangen door huizen. Dat zal de buurman, die zijn boerenbedrijf gewoon verder wil ontwikkelen, niet mooi vinden. Stankcirkels en geluidscontouren kunnen hem danig dwars zitten. Los van de zorgen van de buurman is het ook planologisch niet zo’n prettige gedachte dat in sommige gebieden, via de achterdeur, een soort van lintbebouwing op het platteland gestimuleerd wordt. Het alternatief dat geboden wordt is dat de slopende varkenshouder niet ter plaatse, maar in een uitbreidingsplan in de buurt de begeerde, want waardevolle, bouwkavel toegewezen krijgt. Dat kan leiden tot een nieuwe ronde van witte schimmel. Ik ga er niet over, ik ben maar een eenvoudig econoom, maar het lijkt me dat dergelijke ongestuurde ontwikkelingen een gruwel moeten zijn voor elke planoloog.

Grote huizen

Met een simpel “nee” tegen allerlei ontwikkelingen op het platteland komen we er niet. Er is een grote stedelijke druk op het platteland. Er moeten heel veel functies een plek krijgen. Er is grote behoefte aan meer natuur, meer recreatieterreinen, meer ruimte voor bedrijventerreinen. Er is vooral ook behoefte aan veel meer grote huizen op ruime kavels, op karakteristieke plaatsen, in het groen. Ons inkomen stijgt voortdurend, over dertig jaar zitten we wellicht op het dubbele van nu. Er is dan een nog veel grotere middenklasse met veel geld, die fraai wil wonen en die geen gezeur (of overlast) van de buren wil accepteren. Die de twee auto’s in een ruime garage wil, en een landje voor de pony van de kinderen.

De opgave voor de ruimtelijke ordening is daar ruimte voor te maken, zonder dat daarmee het platteland volgebouwd wordt. Ga er maar aan staan. Met simpele oplossingen als “bottom-up” of “compacte bouw in Vinex-locaties” komen we er niet. Daarmee wordt immers de grote kwalitatieve woonbehoefte van de veelverdiender van de toekomst ontkend.

En als de overheid voor die groep geen ruimte biedt, dan nemen ze de ruimte waarschijnlijk zelf wel: geld speelt voor hen geen rol. Om al die stedelijke druk op het platteland te accommoderen, is denkwerk vereist. Denkwerk, goede regelgeving, en vooral coordinatie. Ongestuurde ontwikkeling vanuit de landbouw of vanuit onderop staat haaks op het hoogst noodzakelijke ruimtelijke beleid voor het platteland.

Dirk Strijker is als landbouweconoom verbonden aan de sectie Ruimtelijke Economie van de Rijksuniversiteit Groningen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels