nieuws

Corporaties straks tussen vangnet en vrijhandel

bouwbreed

Door veranderende omstandigheden op de woningmarkt, alsmede doordat woningcorporaties nieuwe en commerciële activiteiten ontplooien, gaan zij meer de concurrentie aan met reguliere marktpartijen zoals projectontwikkelaars en beleggers.

Naar aanleiding van klachten over vermeende oneerlijke concurrentie heeft de staatssecretaris van Vrom een werkgroep ingesteld om de corporatiesector aan een Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteitstoets te onderwerpen. In februari 2000 heeft de werkgroep haar eindrapport naar buiten gebracht, getiteld “Corporaties tussen vangnet en vrijhandel”.

Alhoewel het kabinet nog een integrale afweging van het advies van de werkgroep moet maken in de Nota Wonen, heeft de staatssecretaris in een brief (8 februari jl.) reeds het kabinetsstandpunt op hoofdlijnen gegeven. Het kabinet onderschrijft de aanbeveling van de werkgroep om het publiek-private karakter van het huidige stelsel te handhaven. Hierbij wordt een verplicht uit te voeren kernopdracht voor de corporaties geformuleerd: het bieden van huisvesting voor die huishoudens die vanwege hun financiële positie geen of onvoldoende toegang hebben tot de vrije markt. Naast deze kernopdracht mogen de corporaties nevenactiviteiten verrichten, mits deze aan het wonen zijn gerelateerd.

Het rapport maakt hierbij onderscheid tussen een ‘binnengebied’ en een ‘buitengebied’. Het binnengebied omvat het huidige werkgebied van corporaties overeenkomstig het Besluit Beheer Sociale Huursector. In het buitengebied mogen corporaties onder strikte voorwaarden commerciële nevenactiviteiten ontwikkelen. Ter verbetering van de concurrentieverhoudingen acht het kabinet het van belang om tot transparante en open aanbestedingsprocedures van gemeenten te komen. Bovendien herhaalt de staatssecretaris het, in zijn brief van 3 november 1999 geuite, standpunt dat corporaties hun commerciële activiteiten in een afzonderlijke vennootschapsbelastingplichtige entiteit moeten onderbrengen. Het kabinet is voornemens over te gaan tot een integrale belastingplicht voor corporaties, onder meer door de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor het binnengebied op te heffen.

Momenteel brengt het ministerie van Vrom de mogelijke, ingrijpende gevolgen en gedragseffecten van een integrale belastingplicht in kaart. Zo zal de totale reserve voor maatschappelijk ondernemen in de corporatiesector door het betalen van vennootschapsbelasting afnemen. Daarnaast zullen de mogelijkheden van het ‘revolving fund’ van de sector afnemen. De sector zal, volgens critici, afhankelijker worden van de overheid.

Een integrale belastingplicht, in plaats van een partiële belastingplicht voor alleen het buitengebied, leidt ons inziens per saldo tot een lagere belastingplicht. De verliezen die eventueel gemaakt worden op het binnengebied kunnen namelijk gesaldeerd worden met de winsten op het buitengebied. Perikelen rond de waardering van de voorraad en de jaarlijkse administratieve lasten zijn nadelige gevolgen waar de corporaties in ieder geval rekening mee moeten houden.

De beide genoemde brieven van de staatssecretaris roepen ook vragen op. Zo is het vooralsnog niet duidelijk wat de status is van corporaties die hun commerciële nevenactiviteiten momenteel nog niet in een aparte entiteit hebben ondergebracht. Het is de vraag hoe de inspecties voor de volkshuisvesting omgaan met de nieuwe regels. Een andere vraag die zich opwerpt is of woningcorporaties vrijwillig uit het bestel kunnen treden. Tevens is het onduidelijk hoe het kabinet de transparante en open aanbestedingsprocedures van gemeenten ten aanzien van (nieuwbouw)projecten vorm gaat geven.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels