nieuws

Steeds meer extreem contrast in stedelijke woningbouw

bouwbreed

Wie de balans opmaakt van de woningbouwplannen die nu in Amsterdam in uitvoering zijn, ontdekt dat de contrasten en extremen steeds groter worden.

Marinus Oostenbrink signaleert dat voor het eerst sinds jaren de gemiddelde woninggrootte daalt, hoewel ook sprake is van een opmerkelijk aantal zeer grote woningen. Ook de toenemende contrasten in architectuur en typologie geven aanleiding tot een herbezinning op de essenties, verschillen en samenhangen van stedelijke woonkwaliteit.

Voor het komend jaar staan in Amsterdam 76 projecten voor in totaal 3814 woningen op stapel. Ze zijn over de gehele stad verspreid, maar voor het eerst sinds vele jaren worden in de historische binnenstad de meeste (957) woningen ontwikkeld. Daarnaast nemen de westelijke tuinsteden en zuidoost de meeste woningen voor hun rekening. Daarmee tekent transformatie en vernieuwing van bestaand stedelijk en naoorlogs gebied zich duidelijk als nieuwe opgave af.

Kijken we naar karakteristieken van de woonkwaliteit en woonvorm, dan zijn ook enkele duidelijke tendensen te onderscheiden.

Hoogbouw

Hoogbouw neemt een steeds grotere plaats in met veertien procent van de productie. Projecten van grote omvang bevinden zich zowel in en nabij het oostelijk havengebied als in de westelijke tuinsteden. Daarbij is de stedenbouwkundige en architectonische identiteit van steeds groter belang. Contrasten in het stedelijk veld krijgen meer aandacht dan harmonie en aansluiting op bestaande omgevingskenmerken.

In de westelijke tuinsteden uit zich dat door nieuwe invullingen met het karakter van ‘montages’ in bestaand gebied. Het gaat om geheel eigen woonvormen en onderscheidende architectuur: een nadrukkelijk streven naar een nieuw woningaanbod en een zichtbare vernieuwing van omgevingskenmerken.

Vloeroppervlak

Tegelijk tekent zich een lichte daling af in het gemiddeld vloeroppervlak per woning, doordat een relatief groot aandeel zeer kleine woningen wordt ontwikkeld. Hiermee worden ook de gevolgen zichtbaar van stijgende marktprijzen en van bouw-, grond- en stichtingskosten.

Alle aspecten van stedelijke woonkwaliteiten die hiermee aan de orde zijn wijzen op nieuw houdingen ten aanzien van klassieke kwaliteitskenmerken. Er is duidelijk sprake van stedelijke intensivering, met hogere dichtheden, meer functiemenging, meer architectonische contrasten en meer extremen in woningkenmerken zoals vloeroppervlak.

De herbezinning die hieruit spreekt komt deels voor uit hoogconjuctuur en marktdruk, maar deels ook uit de politieke nadruk op stedelijke diversiteit bij de productie van woonmilieus, woonvormen en architectuur.

Steeds sterker dringt het besef door dat stedelijke woonkwaliteit door een veelheid van aspecten en factoren wordt bepaald.

Woonkwaliteit

Jarenlang waren vooral sociale kwaliteit en betaalbaarheid richtinggevend voor nieuwbouw, renovatie en transformatie van bestaand stedelijk gebied. Herbezinning op de essenties van het begrip stedelijkheid heeft echter geleid tot vernieuwde aandacht voor de kwalitatieve betekenis van functiemenging, dichtheid, woonvorm, openbare ruimte en architectuur.

In wisselende verhoudingen zijn het deze elementen die stedelijke vestigingsmilieus en de waardering daarvan beïnvloeden. Ook recente beleidsnota’s van de overheid (zoals de Nota Wone en de Nota Architectuurbeleid 2001-2004) geven ruim baan aan nieuwe politieke en ambtelijke inzichten op deze gebieden.

Stedelijke vestigingskwaliteit is dan ook het sleutelwoord voor het nieuwe structuurplan van Amsterdam waarin een ontwikkelingsvisie tot 2030 wordt gegeven. Ook op het niveau van regio, Randstad en Deltametropool staat kwalitatieve diversiteit van woonmilieus centraal.

Voor Amsterdam zijn de veranderingskansen van bestaande milieus van belang voor zowel gemengde metropolitane gebieden als voor wijken waarin water, groen, cultuur, ontspanning en bereikbaarheid dragende kwaliteiten zijn.

Deze tendens in de richting van kwalitatieve transformaties wordt in het planaanbod 1999-2000 geïllustreerd door een aantal recente plannen voor grote locaties. Het project Het Funen introduceert een grote diversiteit aan losse woonpaviljoens in de oostelijke binnenstad. Het plan Geuzenbaan vervangt infrastructuur in stadsdeel Geuzenveld door losse woontorens, terwijl het project Futura een romantisch wooneiland met stadshuizen voorstelt in de F-buurt van Zuidoost.

Kritische massa

Al deze voorbeelden betreffen relatief grote projecten met nieuwe woonvormen en nieuwe woonmilieus als een verrijking van bestaand stedelijk gebied. Meer nog dan de geografische omvang van de locatie is daarbij de kritische massa van het woonprogramma van belang. Het juiste evenwicht tussen footprint, dichtheid, woningaantal en woonvorm is bepalend voor de verblijfskwaliteit van woonmilieu en openbare ruimte.

In deze grote projecten is de rol van de stad als producent van stedelijke milieus en de kwalitatieve condities daarvan essentieel. Dat betekent een sterke concentratie op alle factoren die de ruimtelijke en verblijfskwaliteit bepalen, in alle fasen van programmatische en stedenbouwkundige visievorming.

Woonvorm, woonmilieu en architectuurbeeld zijn daarvan essentiële bestanddelen. In het recente planaanbod is deze aandacht in met name grotere plannen nadrukkelijk aanwezig.

Woonvorm

Ook op een lager schaalniveau blijkt vooral de introductie van woonvorm en architectuur bepalend voor kwalitatieve veranderingen in bestaande milieus. In de Westelijke Tuinsteden wordt op een reeks van plekken met relatief kleine plannen geïntervenieerd in de bestaande context. Korte en hoge stroken (Burgemeester Rîellstraat), clusters (Geuzenbaan) en paviljoens (Oeverpad) zijn treffende voorbeelden van repertoire-verrijking: zowel de typologie van stedelijke ruimte en woongebouw, als die van woonvorm en woningtype dragen bij aan de kwalitatieve transformatie.

In dit kader kan het Europan-blok in Osdorp niet onvermeld blijven. De gelaagde opbouw van deze halfopen stadshof introduceert functiemenging als stedelijke kwaliteit in een omgeving waar juist functiescheiding vanouds een conceptueel kenmerk was.

Opmerkelijk bij deze voorbeelden is een zekere distantie ten opzichte van de oorspronkelijke modernistische kenmerken en kwaliteiten van de Westelijke Tuinsteden. Hierbij is de vraag aan de orde welke ruimtelijke en architectonische kwaliteiten daarbij zodanig essentieel en authentiek zijn dat deze bepalend dienen te zijn bij nieuwe planvorming. Daarvoor is een goede inventarisatie van gewaardeerde complexen en elementen onvermijdelijk, evenals een stedenbouwkundig toetsingskader dat daar recht aan doet en een helder uitgangspunt biedt aan alle ontwerpende disciplines. In de afgelopen jaren ontbrak daarover nog eenstemmigheid.

Contrasten

Mede daardoor is er in plannen voor delen van de westelijke tuinsteden in toenemende mate sprake van contrasten in het ruimtelijk en architectonisch beeld, als zichtbare uitdrukking van veranderende opvattingen. Zoals al gezegd: meer montages van nieuwe elementen dan harmonische aanvullingen en bewerkingen.

In andere delen van de stad is eveneens een reeks kleinere projecten bepalend voor veranderingen in het woonmilieu. Ook daarbij openbaren zich verrassende contrasten en soms paradoxen. In stadsdeel Oud-West, wordt bijvoorbeeld de stedenbouwkundige enveloppe van het te slopen Julianaziekenhuis herontwikkeld en opnieuw ingevuld met een exclusieve woonfunctie voor grote en dure appartementen onder de naam Bilderdijkstaete.

Een vergelijkbare paradox is waarneembaar in het naoorlogse deel van Bos en Lommer, waar aan de Van Arteveldestraat een “foyer” gerealiseerd wordt met onzelfstandige wooneenheden voor jongeren.

Het betreft hier niet alleen een bijzonder en categoraal woonprogramma, georganiseerd volgens een klassiek atriumconcept. Maar ook onderscheidt de gesloten en statische architectuur zich sterk van de open stroken-verkaveling in de omgeving. Programma, gebouw en architectuur keren zich naar binnen; contrast in plaats van inpassing lijkt ook hier het voertuig van vernieuwing.

In het stadsdeel Osdorp is sprake van een drietal autonome projecten, elk met een volstrekt eigen ruimtelijke en architectonische positie. Opmerkelijk is het woonzorgcentrum aan de Pieter Calandlaan op het terrein van De Drie Hoven: een atriumgebouw met een snelle vormgeving voor ouderen met zorgbehoeften. Ook aan de Jacques Veltmanstraat worden twee gebouwen ontwikkeld met complexe programma’s en een sterk gelaagde vormgeving, die zich nadrukkelijk onderscheidt van haar omgeving. Door middel van terrassen, geledingen en parcelleringen wordt afstand genomen van het naoorlogs modernisme. Ook hier lijkt, eerder dan het woningaanbod, de eigenzinnige architectuur bepalend voor een nieuwe impuls voor de transformatie van woonmilieu.

Typologie

Contrastrijke architectuur en stedenbouw als bestanddeel van transformatie komt ook tot uitdrukking in meer afwijkende typologische kenmerken van gebouwen en woningen. In veel plannen tonen een streven naar orginaliteit en vernieuwing op verschillende schaalniveaus.

Elementaire trends daarin hebben ondermeer betrekking op kleinere bouwvolumes en paviljoens, grotere bouw- en verdiepinghoogtes, meer geveloppervlak en meer vrije indeelbaarheid.

Opmerkelijk is tegelijkertijd dat de gemiddelde woninggrootte voor het eerst sinds een aantal jaren weer daalt. Ook hierachter schuilt een sterker wordend contrast: de extremen in woninggrootte komen steeds verder uit elkaar te liggen.

In de sociale sector bestaat het planaanbod voor bijna twintig procent uit woningen kleiner dan veertig vierkante meter, terwijl maar liefst vierentwintig procent een gebruiksoppervlakte heeft tussen de honderd en honderdveertig vierkante meter.

In de vrije sector zijn de zeer kleine wooneenheden (tot veertig vierkante meter) minder sterk vertegenwoordigd (zes procent). De zeer grote woningen (gebruiksoppervlak van honderdtwintig tot honderdzeventig vierkante meter) zijn echter met vijfentwintig procent relatief zeer ruim vertegenwoordigd.

Exclusiviteit

Deze programmatische tweedeling is niet alleen een duidelijke illustratie van verschuivingen in prijs-, kwaliteit- en doelgroepverhoudingen. Ook wordt hiermee een nieuwe vorm van exclusiviteit geintroduceerd, die doorwerkt in uitwerkingsaspecten als locatie, gebouwvorm en architectuur.

Een combinatie van dergelijke extreme kenmerken en kwaliteiten is bijvoorbeeld te vinden in plannen als Grote Bickerstraat (acht gestapelde bungalows boven schoolgebouw) en in de “hidden deligths” van Het Funen: zestien verschillende kleine paviljoens met een grote diversiteit aan grondgebonden, gestapelde en patio-woningen. Niet eerder werd een dergelijke combinatie van extreme kenmerken naar architectonische vorm en programmatische inhoud binnen een plan verenigd.

Het thema van vrije indeelbaarheid overheerst sterk het plan Sarphatistraat met vijf soorten lofts, en het project Oeverpad met een variëteit aan woongebouwen, woningcasco’s, indelingsmogelijkheden, inclusief mogelijkheden voor horizontale en verticale samenvoeging. Met deze middelen kan een zeer gevarieerde woningvraag worden bediend, op voorwaarde dat kopers en toekomstige bewoners in een vroeg stadium van uitwerking zeggenschap krijgen in het ontwikkelingsproces.

Stedelijke variatie

De conclusie lijkt dan ook gerechtvaardigd dat zowel binnen het planaanbod als geheel, als binnen stadsdelen en projecten de kenmerken van stedenbouwkundig concept, architectonische vorm, woonvorm, woningtype, -grootte en -indeling steeds meer tegenstellingen en contrasten vertonen.

Deze contrasten dragen nadrukkelijk bij aan het gevarieerde aanbod dat hoort bij stedelijkheid. Dat is een verzamelbegrip voor een rijk aanbod aan sterk verschillende woonmilieus en woonvormen.

In het recente planaanbod tekent zich echter een tendens af van steeds grotere contrasten en extremen, ook op het lagere schaalniveau van woonomgeving en wooncomplex. Dat zal de komende tijd kunnen leiden tot een verdere herbezinning op de essenties, de verschillen en de samenhangen van stedelijke woonkwaliteit.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels