nieuws

Brand in atoombunker

bouwbreed

Voor de verbouwing van een computercentrum werd sloopwerk verricht in de kelder. Er brak brand uit en het dak van deze voormalige atoombunker bleek ‘lek’. Resultaat drie ton schade in de verdieping erboven.

De kelder was vroeger een atoombunker. In twee nabijgelegen bunkers waren de electrische installaties al gesloopt door een andere aannemer. De eigenlijke sloop werd door een onderaannemer verricht nadat de electrische kabels en aansluitingen waren weggehaald. Het brandgevaar leek daardoor geëlimineerd. Toch brak door het gebruik van een snijbrander bij een aan het plafond van de kelder bevestigde metalen bak brand uit; de bak bleek bekleed met een brandbaar materiaal en waarschijnlijk lagen er nog kabels in. In de kelder niet zo’n ramp, die brand, maar in het boven de bunker gelegen gebouw ontstond wel een schade van bijna drie ton.

Daarvoor stelde de opdrachtgever zijn aannemer aansprakelijk omdat hij bij het slopen van de bak niet de vereiste zorgvuldigheid in acht zou hebben genomen. Met name had hij niet gekeken of zich in of bij die bak brandbare materialen bevonden. Ook zou hij geen geschikte brandblusapparatuur bij de hand hebben gehad.

Maar wie was nu verantwoordelijk voor het nagaan of er zich brandbare materialen bevonden in de te slopen bak, de opdrachtgever of de aannemer? Die laatste vond dat zijn opdrachtgever hem had moeten waarschuwen. Daarbij kwam dat door een verlaagd plafond de bak vóór de sloop niet zichtbaar was en de aannemer ook niet wist dat de bak in verbinding stond met de ruimten erboven. Dat zou je toch niet verwachten in een kelder die als atoombunker had dienst gedaan.

De belangrijkste door de Raad van Arbitrage te beantwoorden vraag was natuurlijk of de aannemer schuld had aan de door de brand ontstane schade. Daarbij stond de vraag centraal of bij de sloop van de bak een snijbrander gebruikt had mogen worden. De veiliger slijptol kwam daarvoor vanwege ruimtegebrak niet in aanmerking. Omdat in een atoombunker een degelijke afscheiding verwacht mag worden met het zich erboven bevindende gebouw, was naar het oordeel van de Raad het gebruik van een snijbrander de meest geëigende methode voor de sloop van de bak. Ook het nalaten van onderzoek naar brandbaar materiaal was hem niet te verwijten. In de andere met een snijbrander gesloopte bunkers waren de bakken niet met brandbaar materiaal bekleed en was ook geen brand ontstaan. Het niet-instellen van een onderzoek naar de aanwezigheid van hoogst ongebruikelijk brandbaar materiaal kon daarom moeilijk aan de aannemer verweten worden.

Tekeningen

Maar zelfs al had hij meer gedaan dan verwacht mocht worden, dan nog was de opgetreden schade niet te verwachten geweest. Die was immers te wijten aan de (open) verbinding tussen kelder en erboven liggende ruimte.

De opdrachtgever van de sloop was de rechtsopvolger van degenie die destijds het gebouw mèt bunker had laten bouwen. De koper had daar dus van kunnen weten. Het feit dat de juiste tekeningen niet beschikbaar waren omdat ze geheim geclassificeerd waren, kon natuurlijk niet aan de aannemer van de sloop verweten worden. Bij de overdracht van het pand had de koper er om kunnen vragen; het stempel “GEHEIM” had de vorige eigenaar (Defensie?) uiteraard direct doorgehaald kunnen hebben.

Het laatste argument tegen de aannemer was nogal kinderachtig: het verwijt dat er geen gebruiksklare, geschikte brandblusapparatuur in de kelder aanwezig was, werd dan ook door de Raad verworpen. Dat er poederblussers en een emmer water stonden werd door de arbiters voldoende gevonden bij het gebruik van een snijbrander in een lege betonnen ruimte.

Vuurwerkopslag

Op geen enkele grond was de aannemer daarom aansprakelijk voor deze schade; die bleef geheel voor rekening van de eigenaar van het pand. Hij moest bovendien nog de niet geringe som van – 13.743,50 aan arbitragekosten betalen èn een tegemoetkoming van ruim elfduizend gulden in de kosten van de rechtsbijstand die de aannemer had moeten maken.

Dit vonnis geeft overigens wel te denken over de manier waarop in de tweede helft van de vorige eeuw onze atoombunkers zijn gebouwd. Als deze bunker model heeft gestaan voor andere ruimten waarin bescherming bij een nucleaire oorlog gezocht had moeten worden, hadden die mensen net zo goed thuis in de kelder kunnen gaan zitten.

En wie waren er eigenlijk verantwoordelijk voor de controle op de manier waarop onze ‘atoombunkers’ gebouwd werden? Toch niet dezelfden, die aangewezen zijn voor de beoordeling van de veiligheid van de vuurwerkopslag in Nederland?

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels