nieuws

Zaak Oostveen meer dan gemeentetje pesten

bouwbreed Premium

De komende weken zijn cruciaal voor de ontwikkeling van de jurisprudentie rond de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg).

Vandaag bepaalt de rechtbankpresident in Utrecht of de stad Utrecht moet meewerken aan een volgens haar illegaal bouwplan van projectontwikkelaar Oostveen in de Vinex-wijk Leidsche Rijn. Volgende week doet het gerechtshof in Amsterdam uitspraak in de beroepszaak die Utrecht in deze kwestie heeft aangespannen, nadat de rechtbank in Utrecht toeliet dat Oostveen door de mazen van de Wvg glipte. Tot slot heeft het Kabinet in april te komen met het reparatiewetje, dat gemeenten in staat moet stellen de regierol op grote bouwlokaties volledig naar zich toe te trekken.

De Utrechtse zakenman Oostveen heeft wat teweeg gebracht met de overeenkomst die hij sloot met de De Meernse agrariër De Bruijn. Het contract komt er op neer dat de agrariër het lapje grond in Leidsche Rijn zelf gaat ontwikkelen. Er komen achttien huizen op, geheel volgens bestemmingsplan. Natuurlijk hoeft De Bruijn daarvoor niets te doen. Oostveen regelt de zaken met Alex Meijer BV, een van zijn vele ondernemingen.

Utrecht is hierdoor pijnlijk getroffen. Het had de Wvg van toepassing verklaard voor het grondgebied van Leidsche Rijn. Het was de bedoeling dat alle grondeigenaren hun lapjes zouden verkopen aan de gemeente. Die zou vervolgens de grond weer uitgeven aan een aantal geselecteerde ontwikkelaars en bouwers. Zo was al een bouwvergunning afgegeven aan het Bouwfonds voor het perceel van De Bruijn zonder dat hij daarvan afwist.

Overwinning

De Bruijn weigerde te verkopen aan de gemeente, omdat de opbrengst erg laag was. De grond was vervuild en moest worden gesaneerd. Oostveen sprong er tussen en toonde aan dat de vervuiling wel meeviel. Hij bood De Bruijn uiteindelijk een hoger bedrag, te incasseren nadat de huizen zijn gebouwd en verkocht.

Volgens de wet is het toegestaan zelf een bouwplan te realiseren, dat voldoet aan het bestemmingsplan. De gemeente Utrecht beticht De Bruijn en Oostveen er echter van dat ze bewust een constructie hebben bedacht om onder de wet uit te komen. Daarom werd een rechtszaak aangespannen. Die liep in eerste instantie voor de gemeente totaal verkeerd. De rechter in Utrecht weigerde namelijk de overeenkomst nietig te verklaren. Oostveen vierde de overwinning en sloeg onmiddellijk toe. Hij vroeg een bouwvergunning aan, die de gemeente niet kon weigeren. Een dag voor de behandeling van het door Utrecht aangespannen hoger beroep begon hij met de bouw en vlak voor de uitspraak van het Hof eiste hij in kort geding medewerking van Utrecht aan de uitvoering van de bouwvergunning.

Oostveen is natuurlijk tussen de bedrijven door bezig met een potje gemeentetje pesten. Dat laat onverlet dat zijn zaak van groot belang is voor de vraag hoe het nu verder moet met de Wvg. Tot nu toe is de Utrechtse projectontwikkelaar er met verve in geslaagd de wet te omzeilen. Wordt hij ook door het Hof niet teruggefloten dan wacht Utrecht nog meer onheil. Want Oostveen heeft onder meer door middel van contracten grip op nog veel meer grond in Leidsche Rijn. Bovendien is de kans groot dat agrariërs die het niet met de gemeente eens kunnen worden en onteigend dreigen te worden zich wenden tot de zakenman of een concurrent

Utrecht verliest hierdoor grip op de ontwikkelingen in de grootste Vinexlocatie van Nederland. Het wordt gedwongen met opgelegde partijen zaken te gaan doen. Dat terwijl de gemeente juist zo strak mogelijk de regierol wil vervullen en zelf wil kiezen uit de beschikbare ontwikkelaars.

Slimme zakenlui

Interessant is de vraag of de Utrechtse rechtbankpresident het vandaag aandurft zich al in de kwestie te mengen, terwijl het Hof in Amsterdam zich pas volgende week uitspreekt. Hij moet uitmaken of Utrecht gehouden is mee te werken aan de realisering van het bouwplan. In dat geval moet ze met Oostveen een exploitatieovereenkomst sluiten, waarin onder meer de vergoedingen worden geregeld voor de publieke voorzieningen. Oostveen wil zo’n overeenkomst wel aangaan, maar Utrecht erkent hem niet als gesprekspartner. De gemeente mag dan een bouwvergunning hebben afgegeven aan Oostveens bedrijf Alex Meijer, dat is alleen gebeurd omdat zij niet anders kon. Verder wenst ze niks met dit bedrijf te maken te hebben en weigert ze dus rioleringen aan te leggen of informatie te verstrekken over het peil van de begane grond.

Als de rechter vandaag de gemeente aan de bouwvergunning houdt komt Utrecht in een nog lastiger parket. Die vergunning is onherroepelijk. Utrecht overweegt wel een bouwstop te verordenen als het gerechtshof haar volgende week in het gelijk stelt, maar de vraag is of die juridisch houdbaar is.

Vast staat dat Oostveen in dat geval in cassatie zal gaan. Omgekeerd zal de gemeente naar de Hoge Raad stappen als het Hof weigert de overeenkomst tussen De Bruijn en Oostveen nietig te verklaren.

Als één ding duidelijk is, is het wel dat de affaire de gemeenschap veel geld kost. De ene procedure volgt immers de andere op en zeer deskundige advocaten moeten worden ingeschakeld om het pleit te beslechten. Alleen daarom al zou het goed zijn als het reparatiewetje dat het kabinet naar de Raad van State heeft gestuurd, duidelijkheid biedt. Het zal haarfijn moeten aangeven wat wel en wat niet onder zelfrealisatie valt. Zoniet, dan blijven er mogelijkheden voor slimme zakenlui als Oostveen om een flink graantje mee te pikken op de grote bouwlokaties.

Reageer op dit artikel