nieuws

Verbouwing van monument heeft baat bij juridisch oordeel

bouwbreed

Onze Monumentenwet van 1988 verbiedt het beschadigen of vernielen van een beschermd monument. Niet

alle monumenten vallen dus onder dat verbod, maar alleen die, welke zijn ingeschreven in het daartoe voor elke gemeente aangehouden register.

Zulke monumenten worden dan als beschermd aangemerkt.

De mogelijkheid om zo’n monument af te breken, te verplaatsen of te veranderen, is wel in die wet geopend. Daarvoor is dan een vergunning nodig, die over het algemeen door Burgemeester en Wethouders kan worden verleend. Alleen als het een archeologisch monument of een monument met een militaire bestemming betreft, wordt de beslissing op een vergunningsverzoek genomen door de minister die de cultuur in zijn portefeuille heeft. Dat is ook het geval als het monument zich niet in het gebied van enige gemeente bevindt.

Voor de in bouwkundig opzicht in slechte staat verkerende graansilo ‘Korthals Altes’ aan de Westerdoksdijk in Amsterdam, vroeg projectontwikkelaar Y-Grain in september 1995 vergunning voor het veranderen en restaureren ervan. Omdat hij in de silo een restaurant, 49 bedrijfsruimten, 69 woningen en 23 woningen met ateliers wilde maken, had hij ook een bouwvergunning nodig.

Aanhouden

Het college van B en W van Amsterdam moet deze aanvraag aanhouden, omdat de Woningwet bepaalt dat dit moet gebeuren als er ook een vergunning op grond van de Monumentenwet nodig is. De eigen monumentencommissie van Amsterdam had wel wat bezwaren, maar die waren weggenomen na overleg met Y-Grain en ook de problemen die de Rijksdienst voor de Monumentenzorg had met de aantasting van het gesloten karakter van de silo, leidden tot een aanpassing van het bouwplan. Toen konden B en W de monumentenvergunning verlenen. Dat was op 2 augustus 1996.

Tegen die laatste vergunning dienden twee particuliere organisaties bezwaren in. Daarover moest eerst een beslissing worden genomen. Het college vond dat de monumentale waarde en dito karakter in het bouwplan voldoende gewaarborgd waren en wees beide bezwaren af.

Daarop spanden de verenigingen een kort geding aan. Zij voerden aan dat met het aanbrengen van ramen en vloeren van de silo, het gesloten karakter zo sterk zou worden aangetast dat het gebouw zijn specifieke karakter en kenmerken zou verliezen. Daardoor zou het in feite helemaal geen monument meer zijn. Niet onbegrijpelijk voor mensen die meer dan de gemiddelde Nederlander waarde hechten aan zulk soort gebouwen, vonden zij dat financiele aspecten hier niet de doorslag mochten geven. Dat was naar hun mening hier duidelijk wel het geval. Y-Grain was immers alleen maar uit op het maken van winst. Maar die ondernemer vroeg, samen met de gemeente, aan de president de schorsing van de vergunning op te heffen.

De eerste zei dat in de nieuwe woonfunctie die door de Rijksdienst was aanvaard, het uiterlijk van het gebouw zo min mogelijk zou worden aangetast. Maar dan moest wel snel gebouwd kunnen worden, want als de vergunning niet snel werd verleend, dreigde het gevaar dat de silo niet meer gerestaureerd zou kunnen worden. Daar voegde de gemeente aan toe, dat de verbouwing van de silo deel uitmaakte van het project Silodam en dat de beroepschriften van de beide verenigingen funeste gevolgen zouden hebben voor het hele project als niet snel een bouwvergunning werd afgegeven.

Oplossing

Wat is nu wijsheid in zo’n geval? Zou, indien een instituut als de Raad van Arbitrage er over moest beslissen, dat kunnen gebeuren op billijkheidsgronden?

Wel zouden bouwkundige arbiters kunnen nagaan welke waarde aan technische argumenten dient te worden toegekend, zoals het betoog van de projectontwikkelaar over de bouwkundig slechte staat van de graansilo. Maar met billijkheidsoverwegingen zouden ze niet veel verder komen.

De enige oplossing leek hier een louter juridische te zijn. De president vond dat de Monumentenwet geen bescherming biedt voor de meeste belangen die door de beide verenigingen waren aangevoerd.

Het enige belang dat hier aan de orde kon zijn was de wijziging van het monument als zodanig. Het uitgangspunt bij de verlening van de vergunning daarvoor was enerzijds de wens om de in onbruik geraakte silo zo te kunnen behouden, dat massa en contour gespaard zouden blijven. Aan de andere kant zou daardoor de mogelijkheid ontstaan het complex geschikt te maken voor bewoning en bedrijfsuitoefening op kleine schaal.

Naar de mening van de president verzekerde het uiteindelijke bouwplan in voldoende mate het behoud van de graansilo. Hij tekende daarbij aan dat immers een aantal van de oorspronkelijke schachten visueel en functioneel intact zouden blijven en dat ook in belangrijke mate rekening was gehouden met de inwendige structuur van het gebouw.

Van grote invloed op zijn uiteindelijke oordeel was natuurlijk dat zowel de gemeentelijke dienst Monumentenzorg als haar Rijkscollega met het uiteindelijke bouwplan konden instemmen. Hij had geen deskundige nodig om te zien of de bouwkundige toestand inderdaad zo slecht was als Y-Grain had beweerd. Hij vond dat voldoende was komen vast te staan, dat met spoed conserverings-maatregelen getroffen dienden te worden.

Belangen

De presidentiele conclusie was dan ook dat de belangen van de beide verenigingen minder zwaar wogen dan die welke gemoeid waren met de schorsing van de monumentenvergunning. Daaraan koppelde hij de conclusie, dat de beslissing over de aangevraagde bouwvergunning niet meer behoefde te worden aangehouden. Een andere opvatting zou immers tot de onzinnige situatie leiden dat de silo wel gesloopt zou kunnen worden, maar dat de verbouwing ervan met het oog op het behoud van dat monument niet zou kunnen beginnen.

Beslissingen waarbij zakelijke en emotionele gevoelens van partijen recht tegenover elkaar staan, zijn altijd moeilijk. Het is daarom maar goed dat in zulke gevallen een juridisch oordeel over datgene, wat de wetgever heeft gewild, de oplossing biedt.

(BR 1999 p. 320)

Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels