nieuws

Gemeente mag voorkeursrecht niet onbeperkt toepassen

bouwbreed

Gemeenten dienen de macht die zij ontlenen aan de Wet Voorkeursrecht Gemeenten, te gebruiken met inachtneming van de bedoeling en de strekking van die wet. Dat zei de President van de Alkmaarse rechtbank tegen de bestuurders van Heerhugowaard. Die dachten bij de uitoefening van hun voorkeursrecht te kunnen profiteren van een formele eis in die wet, maar daar stak de President een stokje voor.

In het artikel ‘macht leidt tot arrogant gedrag gemeentebestuurders’ van 22 april besprak ik dat vonnis. Een maand later verscheen er weer een vonnis over die wet. Daarin besliste de rechtbank Maastricht, dat gemeenten niet altijd een voorkeurspositie hebben bij de verwerving van gronden krachtens de Wet Voorkeursrecht Gemeenten (WVG). Als een gemeente de nietigheid inroept van een overeenkomst, waarvan zij vindt dat die afbreuk doet aan haar voorkeurspositie, moet ook gekeken worden naar het doel waarvoor haar dat recht is toegekend.

Dat recht wordt beperkt door het doel waarvoor het door de wetgever aan gemeenten is gegeven. De aankoop van gronden door de gemeenten, die daarbij van hun voorkeursrecht gebruik maken, moet geschieden in het kader van de mogelijkheid om die plannen (tijdig) te realiseren. Als dat op een andere manier dan door de gemeente zelf kan, met name door particuliere grondeigenaren, kan de gemeente niet zeggen: ‘nee, dat mogen jullie niet want ons plan willen wij zelf uitvoeren’.

Bedrijventerrein

De vordering, die de gemeenten Maastricht en Eijsden vanuit dat standpunt instelden, dateerde al van geruime tijd voor de les van de Alkmaarse President aan Heerhugowaard. Maar op 21 december 1998 konden ze op de twee Zuid-Limburgse gemeentehuizen de bui al zien hangen. Toen wees die President er op dat het gebruikmaken van de WVG-bevoegdheden door gemeenten niet kan gebeuren zonder dat daarbij de bedoeling waarvoor zij gegeven zijn, een rol hoeft te spelen.

De bedoeling van de twee gemeenten was om zelf een bedrijventerrein te realiseren. Zij hadden daarvoor in augustus 1988 een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarin afgesproken was dat zij ook de daarin gelegen gronden zouden uitgeven.

In dat plan werden zij gedwarsboomd door de BV Stienstra Bedrijfsprojektontwikkeling, die kort tevoren met een aantal grondeigenaren een overeenkomst had gesloten tot het gezamenlijk realiseren van een deel van het bedrijventerrein. Stienstra had voor het opstellen van die overeenkomst duidelijk een ervaren jurist ingeschakeld, want de – in het vonnis opgenomen – tekst ervan erkende niet alleen met nadruk de bepalingen van de WVG maar ook dat die wet de mogelijkheid openlaat om de bestemming in een particuliere samenwerking te realiseren.

Vanuit dat uitgangspunt was het nodig om in de overeenkomst onder andere afspraken te maken over de uitvoering van de werkzaamheden die nodig zouden zijn om de gronden van de eigenaren in overeenstemming met het bestemmingsplan te laten gebruiken.

Keurig geregeld zou je zeggen, maar dat vonden de twee gemeentebesturen niet. Zij riepen voor de Maastrichtse rechtbank de nietigheid van de door Stienstra met de betrokken grondeigenaren gesloten overeenkomsten in. Zij meenden dat te kunnen doen omdat artikel 26 WVG aan gemeenten dat recht verleent voor wat betreft rechtshandelingen, die afbreuk te doen aan hun wettelijke voorkeursrecht.

Maastricht en Eijsden moesten daarvoor aantonen in welk opzicht de door Stienstra gesloten overeenkomsten afbreuk deden aan hun voorkeursrecht. Dat dienden zij te doen in het licht van de opvatting dat er niets op tegen is dat ‘de markt’ de door de gemeente gewenste bestemmingen realiseert. Dat was door de regering bij de behandeling van het wetsvoorstel met zoveel woorden gezegd en dus moesten de beide gemeenten aantonen dat in dit geval ‘de markt’ dat niet kon.

Daarvoor kwamen zij met het argument dat sommige percelen te klein waren, maar dat konden zij niet met feiten onderbouwen. Hoe moeilijk zij het hadden om hun opvatting, dat het bestemmingsplan door Maastricht en Eijsden zelf gerealiseerd diende te worden, te staven bleek wel uit hun knulligste argument. Een van de percelen was van cruciaal belang om te starten met de eerste fase van de ontwikkeling van het terrein, maar dat bleek door de gemeente zelf aangekocht te zijn! Dus ‘wat let jullie om daar te beginnen’, moet de rechtbank hebben gedacht, maar zei dat niet met zoveel woorden. Een rechter zegt dan dat het ‘in deze procedure niet ter discussie staat’.

Gevaar

Wel moesten de rechters erkennen dat de mogelijkheid van prijsopdrijving en de bemoeilijking van onderhandelingen van de gemeenten met eventuele toekomstige verkopers niet uitgesloten was. Maar dat waren geen problemen die de door de WVG beschermde belangen betreffen.

Alleen als door Stienstra de (tijdige) realisering van het bestemmingsplan in gevaar zou worden gebracht, konden de gemeenten door de vernietiging van de door hem gesloten overeenkomsten dat gevaar bezweren. Maar Maastricht en Eijsden konden dat niet aantonen.

Ook het werkelijke argument van de gemeenten hielp hen niet. Op het laatste moment erkenden zij, dat zij het bedrijventerrein zelf wilden realiseren en de daarin gelegen gronden zelf wilden uitgeven om zo de voorwaarden te kunnen bepalen waaronder dat diende te gebeuren. Dat was volgens hen in het belang van de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid. Voor de afwijzing van dat argument gebruikten de rechters weer hetzelfde middel: die belangen zijn niet die, waarvoor het voorkeursrecht is gegeven.

Het verzoek van de beide gemeenten om de door Stienstra gesloten overeenkomsten te vernietigen, werd dan ook afgewezen. Gemeenten weten nu in ieder geval dat zij geen onbeperkt recht hebben om voor de realisatie van hun bestemmingsplannen het wettelijke voorkeursrecht uit te oefenen. Particulieren mogen die plannen net zo goed verwezenlijken. In de concurrentie met gemeenten krijgen die niet een voorsprong door hun voorkeursrecht als projectontwikkelaars hen net een stapje voor waren.

(BR 1999 p. 419)

Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels