nieuws

Voorheffing beperkt liquiditeit bedrijven

bouwbreed

De Duitse voorheffing slaat de liquiditeit van Nederlandse aannemers fors aan. In Nederland wordt door middel van een voorlopige aanslagregeling al rekening gehouden met de winsten die een bedrijf verwacht te maken. Ook de ingehouden loonbelasting moet in Nederland worden afgedragen.

De Nederlandse heffingen voor loon- en vennootschapsbelasting bedragen ongeveer 40 procent van de omzet. Met de Duitse voorheffing moet ongeveer 65 procent van de totale aanneemsom/omzet voor belastingen worden gereserveerd.

De 25 procentregeling dient als eventuele voorheffing op een mogelijke belastingplicht in Duitsland. Blijkt achteraf dat een bedrijf niet aan de Duitse fiscus moet afdragen, dan is restitutie mogelijk. Terugbetaling volgt niet eerder dan met ingang van het volgende kalenderjaar.

Dat alles beperkt de liquiditeit van de onderneming zodanig dat de continuiteit in gevaar komt, benadrukt KPMG uit Emmen in een brief aan de Vaste Commissie Financien van de Tweede Kamer. Een bedrijf kan om die reden besluiten niet meer in de bondsrepubliek aan de slag te gaan. Als gevolg daarvan ontstaat omzetverlies en dreiging van ontslagen. Een onderneming kan deze gevaren voorkomen door zich in Duitsland te vestigen. De bondsrepubliek legt alleen buitenlandse bedrijven een voorheffing op.

Loonbelasting

Deze keuze levert evenwel andere problemen op. Het personeel valt dan bijvoorbeeld onder de Duitse loonbelasting. En dat heeft weer gevolgen voor hun aftrek van de hypotheekrente.

Desondanks overweegt een aantal bedrijven zich in Duitsland te vestigen. Op die manier dwingt de wetgeving van een EU-lidstaat een ondernemer er in feite toe zich in een andere lidstaat te vestigen, meent KPMG Emmen.

Het economische belang in deze kwesties is groot, vooral als meer bouwbedrijven besluiten naar Duitsland te gaan. Zo kan een stroom van emigrerende bedrijven op gang komen. Als gevolg daarvan kan Nederland bijvoorbeeld een aanmerkelijk bedrag aan loonbelasting mislopen.

Ongerust

KPMG Emmen constateert bij bedrijven die in Duitsland werken inmiddels ongerustheid. Die neemt toe, omdat de Duitse fiscus geen duidelijkheid over de regeling verschaft.

Er bestaan mogelijkheden voor vrijstelling, maar de belastingdienst bepaalt per geval of die wordt verstrekt. Met deze beslissing is zo’n drie tot vier weken gemoeid; te lang voor bedrijven die kortlopende projecten uitvoeren. De Nederlandse fiscus houdt zich vooralsnog buiten de discussie. Temeer omdat de Nederlandse belastingdienst geen partij is.

Zolang bedrijven met Nederlands personeel onder Nederlandse voorwaarden in Duitsland werken zullen de ondernemers onverkort aan de Nederlandse belastingplichten moeten voldoen.

“Onderaannemers kunnen een voorheffing van 25 procent niet dragen,” stelt commercieel directeur W. Tappel van Vos Stukadoorsbedrijf uit Klazinaveen. Zijn onderneming boekt om en nabij de helft van de omzet oftewel ruim 10 miljoen gulden in de bondsrepubliek. Wat betekent dat zo’n 2,5 miljoen gulden aan de Duitse fiscus moet worden afgedragen. Die houdt het geld een jaar vast.

“Tegelijkertijd lopen de Nederlandse heffingen door. Er zou al heel wat zijn gewonnen als de Nederlandse fiscus bijvoorbeeld de loonbelasting een jaar zou opschorten. Kredietverzekeraars zullen het ‘gat’ van 2,5 miljoen gulden naar alle waarschijnlijkheid niet dekken.”

De voorheffing is niet het enige probleem. Een onderaannemer heeft geen zekerheid dat de opdrachtgever de inhouding daadwerkelijk aan de fiscus overmaakt. In zo’n geval zal de belasting de onderaannemer om betaling verzoeken. Dat kan ook gebeuren wanneer de opdrachtgever failliet gaat. Een onderneming naar Duits recht ontloopt dergelijke problemen. “Een punt van zorg blijft dan bijvoorbeeld de fiscale aftrek in Nederland van het personeel.”

De fiscale wijzigingen spelen ook Duitse aannemers parten. Bouwers mogen verliezen op buitenlandse projecten niet meer wegstrepen tegen winsten uit binnenlands werk. De Duitse variant van het AVBB, het Hauptverband der Deutschen Bauindustrie, verwacht dat de Duitse aannemers het buitenlandse werk steeds meer vanuit dochterondernemingen regelen die eveneens in het buitenland zijn gevestigd. De binnenlandse gang van zaken blijft onverminderd slecht. De prijzen zijn laag en de capaciteit welbeschouwd veel te groot. Dat veroorzaakt een forse concurrentiestrijd. Temeer omdat buitenlandse (onder)aannemers werken goedkoper kunnen aanbieden. Het Hauptverband bepleit onder meer verkleining van de capaciteit en bevriezing van het minimumloon.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels