nieuws

Expliciete toepassing Algemene Voorwaarden

bouwbreed

Standaardvoorwaarden zoals de S.R. 1988, die de rechtsverhouding tussen opdrachtgever en architect bepalen, zijn niet vanzelf van toepassing als een architect de opdracht van zijn bouwheer aanvaardt. Met name zijn zij niet te beschouwen als bedingen die gebruikelijk zijn in architecten-overeenkomsten.

Dat schreef ik bijna vier jaar geleden bij de bespreking van een uitspraak van het Arbitrage Instituut Bouwkunst. Ik pikte daaruit een van de kwesties waarover dat A.I.B. toen een beslissing gaf.

Het ging over de uitbreiding van de Andreas school in het Westlandse dorp Kwintsheul. De opdracht aan een architect om een ontwerp voor de bouw van die jongensschool te maken, was mondeling tot stand gekomen. Pas een jaar later vermeldde de architect op het briefpapier, waarop hij zijn voorschotnota aan het stichtingsbestuur van de school stuurde, dat op hun rechtsverhouding de A.R. 1971 van toepassing waren. Die A.R. waren de voorgangers van de S.R. 1982, die weer vervangen zijn door de S.R. 1988.

Medewerking

Ik betwijfelde toen al of die Algemene Regelen voor de honorering van de architect en de verdere rechtsverhouding tussen architect en opdrachtgever wel van toepassing waren.

Bij de parlementaire behandeling van ons nieuwe Burgerlijk Wetboek had de regering immers aan de Kamer geantwoord, dat zulke voorwaarden niet van toepassing zijn als de ‘gebruiker’ (dat is in dit geval de architect) pas bij de schriftelijke bevestiging van een reeds bestaande overeenkomst naar de algemene voorwaarden verwijst. Dat was hier nu precies het geval. Maar dat betekende ook dat het arbitraal beding in die algemene voorwaarden, op grond waarvan het A.I.B. zich bevoegd verklaarde, net zo min gold als de andere regels van die voorwaarden.

Het scheidsgerecht van het A.I.B. dacht in januari 1993 wel te kunnen beslissen over de vorderingen die de architect had ingesteld, omdat een tweede uitbreiding van de door hem ontworpen school volgens hem niet zonder zijn medewerking gerealiseerd had mogen worden. Het stichtingsbestuur vond dat het ene, aan het bestaande gebouw toe te voegen, lokaal ook wel door de aannemer getekend kon worden.

Omdat deze uitbreiding het karakter van het oorspronkelijk ontwerp eerbiedigde en dus niet op gespannen voet met de persoonlijkheidsrechten van de architect stond, stelden de arbiters zich achter de stichting op.

Klakkeloos

Er was in dat geding nog een andere kwestie aan de orde, die ik in mijn artikel toen niet aanroerde. De arbitrale beslissing daarover heeft, zoals nu blijkt, tot de inschakeling van de gewone rechter geleid.

Dezelfde architect had ook de meisjesschool in Kwintsheul ontworpen. Ook die moest al na enige jaren uitgebreid worden en ook voor deze Mariaschool-uitbreiding werd de architect gepasseerd. In hetzelfde vonnis als dat over de Andreasschool kwam het A.I.B. tot de conclusie dat bij de uitbreiding van de meisjesschool een aantal specifieke architectonische kenmerken door de aannemer klakkeloos was nagevolgd. Dat was de reden voor de toekenning van een vergoeding gelijk aan het honorarium, dat de architect zou hebben gekregen als niet de aannemer maar hij de uitbreiding had ontworpen! Hij kreeg niet minder dan 54.675 gulden toegewezen.

Met die beslissing kon het stichtingsbestuur niet leven. Het wendde zich tot de rechtbank in Groningen om de arbitrale uitspraak vernietigd te krijgen. Zonder succes en dus restte nog een reele mogelijkheid. Het Hof in Leeuwarden was de laatste feitelijke instantie die de arbitrale misser kon rechttrekken.

Het deed dat ook na zijn constatering, dat de A.R. 1971 geen deel uitmaakten van de overeenkomst voor het ontwerpen van de beide scholen. Die voor de Andreasschool was in 1981 gesloten zonder dat beide partijen ooit eerder zaken met elkaar gedaan hadden, en het feit dat de stichting dat wel eerder met een andere architect had gedaan betekende niet dat de standaardvoorwaarden van toepassing waren nu dat niet bij het sluiten van deze overeenkomst was afgesproken.

Voor de Mariaschool lag dat niet anders. Na de opdracht daarvoor had hetzelfde stichtingsbestuur wel twee keer een voorschotnota voor de Andreasschool gekregen, waarop verwezen werd naar de toepasselijkheid van de A.R. 1971. Dat was echter niet voldoende. De A.R. en S.R. beogen duidelijk dat de architect bij de aanvaarding van de opdracht duidelijk laat blijken dat die algemene voorwaarden van kracht zijn. Zij eisen ook dat de architect een verstrekte opdracht schriftelijk bevestigt. Dat was door deze architect nagelaten en het gebruiken van zijn standaard briefpapier een jaar later kon het verzuim om aan die eis te voldoen, niet goedmaken.

Gevolgen

Het Hof in Leeuwarden moest wel tot de conclusie komen, dat het Arbitrage Instituut Bouwkunst zich ten onrechte bevoegd had verklaard. Drieenhalf jaar na het arbitrale vonnis kwam zo toch nog alles op zijn pootjes terecht voor de Heulenaren, die de verantwoordelijkheid voor twee basisscholen in hun dorp dragen. Niet alleen werd het vonnis van de Groningse rechtbank vernietigd, ook dat van het A.I.B. over de Mariaschool was dat lot beschoren.

Voor de architecten is dit arrest van grote betekenis. Als zij niet uitdrukkelijk hun algemene voorwaarden bij de schriftelijke aanvaarding van hun opdracht van toepassing verklaren, weten zij nu wat daar de gevolgen van zijn.

(BR 1999 p. 248)

Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels