nieuws

Zonder sturing zal ‘de stad zonder eigenschappen’ winnen

bouwbreed

“De stad is niet meer wat ze eens was.” Met deze open deur begint Bernard Colenbrander, hoofdcurator van het Architectuurinstituut, ‘De verstrooide stad’. Hij slaagt daarin de stad te ontleden, te verklaren, en zelfs, zij het in bescheiden mate, in theorie gebruiksklaar te maken voor de toekomst.

Het is een trend onder academici interdisciplinair bezig te zijn. Bij kunsthistoricus Colenbrander lijkt dat terecht. Hij heeft allerlei theorieen omtrent architectuur, stedenbouw, biologie, filosofie, geografie en planologie nodig om ‘de stad’ in kaart te brengen. En om tot de slotsom te komen dat de verstrooide stad geen ongeprogrammeerd complex is, maar een stedenbouwkundig concept waarin wel degelijk systematische patronen kunnen worden aangetroffen.

Colenbrander laat aan de hand van tal van voorbeelden de geschiedenis van de ‘verstrooide stad’ de revue passeren. In het eerste hoofdstuk beschrijft hij de stad van nu: is het nog wel een stad of is het inderdaad de verzameling suburbs en uitdijende periferieen die altijd wordt opgevoerd als het over de verstrooide stad gaat?

Eenvormig

De stad is mondiaal eenvormig geworden. Regionale karaktereigenschappen zijn goeddeels aan het verdwijnen of al verdwenen, veelal door de komst van een nieuwe, zeer belangrijke speler in het stedenbouwkundig krachtenveld: de projectontwikkelaar. Deze doet alles overal, maakt niet uit in welk land, en gebruikt veelal internationale financiele bronnen om zijn projecten te realiseren. Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich de – veel zwakkere – utopie van de historische stad, die ooit zowel ruimtelijk als sociaal-cultureel samenhang vertoonde. Beide tegenpolen bepalen de teneur van het boek.

In hoofdstuk twee, ‘De stad van Darwin’, biedt Charles Darwins evolutietheorie een eerste aanknopingspunt om beide tegenpolen weer in evenwicht te laten komen.

De waarheid van de evolutie zit hem in de mix tussen constanten en variabelen: een beetje van het een, een beetje van het ander en steeds in andere doses. De stad die oprijst uit Darwins theorieen is “meer dan een domein waar alleen de terreur van de verandering en toeval heersen”, zo concludeert Colenbrander. Onze moderne ‘stad zonder eigenschappen’ heeft gelukkig een voorvader met eigenschappen waaraan kan worden gerefereerd.

Ook wijlen de Italiaanse architect Aldo Rossi zag tijd als de constante factor in het stedelijk gebied: monumenten en andere primaire elementen vormen vaste punten in de stedelijke dynamiek. De stad is per definitie historisch, want gekoppeld aan zijn verleden. Ook H.P. Berlage zag, zo stelt Colenbrander in een overtuigende paragraaf, zijn Plan Zuid als welsprekende schakel in de geschiedenis van de stad en maakte zich absoluut niet druk om een kloof tussen oud en nieuw.

Moeten ontwerpers van nu op zoek naar de constanten van de verstrooide stad?

In het meest geslaagde hoofdstuk, ‘Het retorisch complot’, laat Colenbrander zien hoe retorische stedenbouw of architectuur een plaats heeft in de verstrooide stad. Dit doet hij onder andere door zijn vizier te richten op imperialistische stedenbouw/architectuur en op Rem Koolhaas. Diens Euralille is, behalve een zoektocht naar stedelijke complexiteit, vooral retoriek. Met hoogbouw op het station, de plek waar de diepe ligging van de semi-ondergrondse infrastructuur het best te ervaren is, suggereert congestie die er helemaal niet is. Een geforceerde schepping van identiteit, luidt Colenbranders commentaar. Hoe groots ook, rethorische architectuur zal nooit beklijven.

Wildlife

Het laatste hoofdstuk, ‘Geluiden uit de derde wereld’, is het minst geslaagde deel van het boek. De vele herhalingen en regieaanwijzingen in de tekst, het wollige taalgebruik (het onderwerp is in helder Nederlands al ingewikkeld genoeg), de grote stukken onvertaald Engels, maar vooral het plotseling opvoeren van wetenschapsfilosoof Karl Popper doen op zijn minst geforceerd aan. Heeft de schrijver misschien gedacht dat zijn boek zonder allesomvattende, wereldverklarende conclusie niets waard zou zijn? Nergens voor nodig.

De centrale vraag van het boek, wat het soortelijk gewicht is van de verstrooide stad, wordt door Colenbrander afdoende beantwoord: “Aan de ene kant zijn er krachten die de ruimtelijke structuur van de stad tot een afgeleide maken van anonieme processen buiten zichzelf om ( – ). Anderzijds zijn er de krachten van de stedelijke wensbeelden, de planmatig veroorzaakte voorstellingen van de gedaante van de stad ( – ).”

Er leven dus twee modellen naast elkaar: de stad zonder eigenschappen en de intentionele stad. In de praktijk van vandaag leveren ze een strijd om de eerste plaats, maar geen van beide zal ooit winnen. Hier raakt het boek de actualiteit in de roos. Het gaat immers tegenwoordig vooral om de vraag wat er in de huidige ruimtelijke ordening nog te sturen valt. Dankzij Colenbrander weten we in elk geval dat als we stoppen met ontwerpen, de stad zonder eigenschappen gaat winnen.

Allard Jolles

Bernard Colenbrander: ‘De ver-strooide stad’; NAi Uitgevers; ISBN 90 5662 117 3; – 49,50

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels