nieuws

Marktpartijen zingen toontje lager op IJburg Allesomvattend stedenbouwkundig plan blijkt te lastige opgave

bouwbreed

amsterdam – Een allesomvattend stedenbouwkundig plan is voor de markt een te lastige opgave. Samenwerkingsverbanden van corporaties, projectontwikkelaars en beleggers kunnen beter uit de voeten met plannen op een lager niveau: in kleinere gebieden of in bouwblokken. Die les trekt Amsterdam uit de eerste ervaringen met IJburg.

Voor het einde van 2001 heeft IJburg zijn eerste bewoners. Zij zullen geen weet hebben van de weg waarlangs het stedenbouwkundig plan voor het westelijk deel van het Haveneiland en de Rieteilanden tot stand is gekomen. “Het was een lastig proces. Met pijn aan beide kanten”, zegt ir. Henk van Veldhuizen, projectmanager IJburg, achteraf.

De start eind 1997 was veelbelovend. De ontwikkeling van het stedenbouwkundig plan zou een zaak worden van de consortia. De gemeente formuleerde alleen de uitgangspunten en een programma van eisen. Waterstad, IJburgermaatschappij en IJ-delta zouden vervolgens gezamenlijk binnen een jaar voor de eerste delen (3600 woningen) van het eilandenrijk IJburg het stedenbouwkundig plan opstellen.

Risico

De consortia wilden deze taakverschuiving van publiek naar privaat, omdat ze met de vroegtijdige verwerving van de grond ook het risico liepen voor de toekomst. Voor de gemeente een gerechtvaardigde vraag, zegt Van Veldhuizen. “Lang niet iedereen was bij voorbaat overtuigd van het succes van IJburg. En niemand kon bevroeden dat twee jaar later al 20.000 mensen zouden staan te dringen om een woning in het gebied.”

De consortia, waarin in totaal 23 partijen samenwerken, deden in 1998 erg hun best. Maar ze konden na een jaar helemaal niemand tevredenstellen. Ook zichzelf niet. Externe deskundigen en de Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling waren hard in hun oordeel. De gewenste eenheid ontbrak. Milieumaatregelen, parkeeroplossingen en zaken als het openbare karakter van kades voldeden bij lange na niet aan de gestelde eisen.

De gemeente sprak aanvankelijk ferme taal. De contracten moesten absoluut worden nageleefd. De directeur van de Dienst Ruimtelijke Ordening hing de consortia een scherp zwaard boven het hoofd. Was er niet voor 1 september dit jaar een passend plan, dan zou de samenwerking worden beeindigd.

Het ging na de afwijzing van de plannen begin 1999 beter, zegt Van Veldhuizen, maar naar de smaak van de gemeente niet snel genoeg. “Misschien stelden wij wel te veel en te complexe voorwaarden. Toen op het Stadhuis duidelijk werd dat het allemaal te lang zou duren, gooide wethouder D. Stadig het roer om. De taakverdeling werd herzien. De gemeente ging zich vanaf april weer actief bemoeien met het plan. Een deel van de overgedragen verantwoordelijkheid werd daarmee teruggenomen.”

Te ingewikkeld

De opgelopen vertragingen zorgden er voor dat pas vorige week het stedenbouwkundig plan voor het Haveneiland en de Rieteilanden naar de drukker is gegaan. Achteraf, concludeert Van Veldhuizen, is de gemeente te ver gegaan bij het overdragen van haar taken. “We hebben ons van tevoren niet gerealiseerd dat 23 partijen niet uit de voeten kunnen met zo’n veelheid aan eisen. Dat is gewoon te ingewikkeld.”

Een gezamenlijk ontwerpteam, geformeerd rond stedenbouwkundige Ton Schaap van de Dienst Ruimtelijke Ordening, bracht voor IJburg de uiteindelijke oplossing. Hij formuleerde een nieuwe structuur. Een globaal plan voor het gehele gebied. In een eenvoudig raster is de verdeling van straten en gebouwen over de eilanden vastgelegd. Voor iedereen is duidelijk waar wat komt.

De uitwerking geschiedt per bouwblok. Dertig coordinerende architecten zullen als ‘blokhoofden’ de verdere ontwikkeling van de eilanden onder hun hoede nemen. De gemeente Amsterdam toetst alleen de uitwerking aan de gestelde eisen.

Over die oplossing is Van Veldhuizen uiteindelijk enthousiast. “Door de inzet van de consortia een schaalniveau lager te leggen, ontstaat voor de marktpartijen een veel betere plek hun creativiteit te tonen. De bouwblokken bieden daarvoor de juiste maat.”

De samenwerking met de consortia heeft volgens hem ook kwaliteit opgeleverd. “Er wordt in een hoge dichtheid gebouwd. Zestig woningen per hectare, veel meer dan op andere Vinex-locaties gebruikelijk is. Daar kleven risico’s aan. De consortia hebben dat aangedurfd. Ik ben er dan ook van overtuigd dat we op weg zijn naar een goede stedelijke omgeving.”

Extra hoogte

Van Veldhuizen verwacht veel van de mogelijkheden van functiemenging. In het nu voorliggende globale plan geldt voor de benedenverdiepingen standaard een hoogte van 3,5 meter. Door de extra verdiepingshoogte is het goed mogelijk in woongebieden ook bedrijven of zorgvoorzieningen te vestigen. Bovendien valt in de toekomst een bepaalde bestemming gemakkelijk te veranderen. Parkeerplaatsen zijn goeddeels ondergronds gesitueerd. Dat is goed voor de leefbaarheid. Bovendien heeft het ontwerpteam vier ‘solids’ (grote woon-werkgebouwen) aan het Haveneiland toegevoegd. Daarmee lijkt ook de levendigheid van het eiland overdag verzekerd. Het Haveneiland krijgt verder een stedelijk karakter met woongebouwen van drie tot vijf verdiepingen. De Rieteilanden worden groen met voornamelijk laagbouw.

Private partijen

Of de gemeente een zware samenwerking met private partijen nog weer zal uitproberen? Dat moet nog worden bepaald. Voor het meest westelijke Steigereiland zal dat volgens Van Veldhuizen zeker niet het geval zijn. Op dat eiland is veel ruimte gereserveerd voor waterwoningen en zelfbouw. Dat leidt tot een veelheid aan kleine opdrachtgevers. De gemeente zal het stedenbouwkundig plan daarvoor zelf opstellen.

Maar voor het oostelijk deel van het Haveneiland, het centrumgebied en het eveneens stedelijke Strandeiland kan samenwerking met private partijen een goede weg zijn. Tot een zware overdracht van taken zal het daarbij wel niet komen. Ook al omdat de risico’s voor de gemeente, gezien de enorme populariteit van IJburg, gering zijn.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels