nieuws

Beperk welstandstoezicht tot duidelijke criteria

bouwbreed Premium

De welstandslobby loopt zich warm. Rijksbouwmeester Patijn geeft vandaag een persconferentie om nogmaals het onderzoek “Welstand op een nieuwe leest” onder de aandacht te brengen.

Morgen presenteert de Federatie Welstand haar brochure “Welstand met beleid”. Pogingen om de Tweede Kamer te bewegen om welstand niet al te hard aan te pakken bij de komende behandeling van de wijziging van de Woningwet, aldus BNA-beleidsmedewerker Jan van Rijn. Aan halfzachte “beoordelingskaders” is echter geen behoefte. Welstandstoezicht moet gebonden worden aan duidelijke criteria.

De Tweede Nota Architectuurbeleid beloofde de doelmatigheid van het welstandstoezicht te bevorderen. Een onderzoek werd aangekondigd naar objectiveerbare criteria, waarbij de functie van welstand als “marginale-toetsingsinstantie aan het einde van planvormingsprocessen” duidelijker gestalte zou krijgen. Geen welstandscommissies meer die eigen criteria ontwikkelen, geen subjectieve welstandsoordelen meer, maar heldere argumentatie aan de hand van vooraf door de gemeenteraad vastgestelde criteria.

Dat is hard nodig blijkt nu uit het onderzoek “Welstand op een nieuwe leest”. De gangbare praktijk is, samengevat:

ù gemeenten laten over het algemeen na welstandscriteria vast te stellen;

ù welstandscommissies hanteren eigen criteria of ontwerpopvattingen;

ù verslaglegging is meer uitzondering dan gewoonte;

ù er is onduidelijkheid rondom de status van vooroverleg;

ù herhaaldelijk overschrijden welstandscommissieleden de grens tussen beoordelen en mee-ontwerpen.

Het aantal definitief negatieve adviezen is beperkt, omdat na het eerste negatieve advies in ‘overleg’ wordt gestreefd naar acceptabele oplossingen, het liefst zonder tussenkomst van B en W.

‘Beoordelingskaders’

Wat ontbreekt in het rapport van de onderzoekers is de essentie van de opdracht, namelijk hoe de doelmatigheid van welstandstoetsing verbeterd kan worden door de ontwikkeling van kenbare, toetsbare welstandsdcriteria. De onderzoekers stellen dat “vanaf het begin van deze eeuw is ingezien dat het welstandsoordeel niet tot stand kan komen via een gestandaardiseerde en meetbare toets”. Met deze ontkenning op voorhand dat welstandscriteria toetsbaar te formuleren zijn negeren zij zonder steekhoudende argumentatie hun onderzoeksopdracht.

Het onderzoek blijft hangen op het niveau van “beoordelingskaders”, een door de onderzoekers geintroduceerde term die vanwege het abstractieniveau de welstandscommissies gewoon weer alle ruimte geeft om tot eigen interpretaties te komen – met alle gevolgen vandien voor rechtszekerheid van de planindieners. Het is bovendien een nodeloze afwijking van de terminologie van de nieuwe Woningwet.

De nieuwe Woningwet is op dit punt zeer eenduidig. Welstandstoetsing kan alleen plaatsvinden als de gemeenteraad de criteria, waaraan getoetst wordt, heeft vastgesteld.

Sommige aanbevelingen uit het onderzoek “Welstand op een nieuwe leest” zijn waardevol. Terecht wordt gesteld dat welstandscommissies zich moeten onthouden van ontwerpactiviteiten ter correctie van plannen; dat de gemeenteraad verantwoordelijk moet zijn voor het welstandsbeleid en dat zonder dit beleid geen toetsbaar welstandstoezicht kan plaatsvinden. Een stimuleringsprogramma voor het lokale bestuur en deskundigheidsbevordering van commissieleden is nuttig, evenals de mogelijkheid van een second opinion.

Uniform

Maar afgewezen moet worden dat gemeenten de bevoegdheid zouden krijgen categorieen van gebouwen aan te wijzen die wel of niet onder het regime van het welstandstoezicht vallen. Conform de doelstellingen van het dereguleringsbeleid zou dat landelijk uniform bepaald moeten worden middels een Algemene Maatregel van Bestuur, zoals het wetsvoorstel voor vernieuwing van de Woningwet ook stelt.

Dit geldt ook voor het geven van de bevoegdheid aan gemeenten om gebieden aan te wijzen waar intensief welstandstoezicht mogelijk is. Het past niet dat een gemeente de facto de Woningwet buiten werking kan stellen, door onder het welstandsregime te plaatsen wat bij Algemene Maatregel van Bestuur vergunningvrij is verklaard. Desgewenst kan een gemeente de procedure toepassen voor door het Rijk aan te wijzen beschermde stads- en dorpsgezichten; daar vloeien echter wel gemeentelijke verplichtingen uit voort.

Standpunt Remkes

In zijn reactie op het onderzoek “Welstand op een nieuwe leest” had staatssecretaris Remkes van VROM stelliger kunnen zijn over de positie van regionale en provinciale welstandsorganisaties. Met name bij plantoetsingen die onder de verkorte procedure vallen treden hun “rayonarchitecten” op als gemandateerde plantoetsers. Daarbij is waakzaamheid geboden. Temeer daar deze welstandsorganisaties zich meer en meer profileren als adviesorganen voor ruimtelijke kwaliteit en dus ook betrokken zijn bij het formuleren van de welstandscriteria. De staatssecretaris constateert zelf al: “De ambtelijk secretaris van de commissie heeft veel invloed. In gemeenten waar het welstandstoezicht is uitbesteed aan een provinciale organisatie lijken de wethouders zich er nauwelijks van bewust dat zij het welstandstoezicht moeten aansturen.”

Diezelfde positieafbakening is ook gewenst bij de stedenbouwkundige planvorming. Een welstandscommissie als toetsende instantie dient geen bemoeienis te hebben met de totstandkoming van een stedenbouwkundig plan. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad het ruimtelijk kwaliteitsbeleid zodanig te formuleren dat de verschillende facetten daarvan goed op elkaar zijn afgestemd in structuurschets, bestemmingsplan, stedenbouwkundig plan, gemeentelijke bouwverordening en welstandscriteria.

Indien, zoals in de praktijk gebeurt, de regionale en provinciale welstandsorganisaties zich profileren als adviesorganen voor ruimtelijk kwaliteitsbeleid dienen zij marktconform te opereren. Dus in concurrentie met architecten en stedenbouwkundige adviesbureaus.

Vooroverleg

Als een planindiener dat wenst moet in een vroeg planstadium overleg met de welstandscommissie mogelijk zijn. Dat kan gaan over de door de gemeente geformuleerde welstandscriteria, zodat de planindiener daarop vroegtijdig kan anticiperen. De uiteindelijke plantoetsing geschiedt aan de hand van diezelfde welstandscriteria. Ad hoc meningsvorming in de welstandscommissie wordt zo geminimaliseerd evenals de invloed van wisseling in de samenstelling van de welstandscommissie. Het vooroverleg is dus beslist geen overlegproces. Aan het manifeste verschijnsel van de mee-ontwerpende welstandscommissie dient absoluut een einde te komen.

Repressie

Als de nieuwe Woningwet stringent wordt toegepast zal de behoefte aan een second opinion over de welstandstoets en het aantal bezwaarschriften afnemen.

Inconsequent is de regeling dat het college van B en W achteraf repressief toezicht kan toepassen op vergunningvrije bouwactiviteiten. Want een bouwactiviteit die vergunningvrij is dient niet getoetst te worden aan welstandscriteria. Als dat na plaatsing wel gebeurt kunnen feitelijk alle bouwactiviteiten op welstand getoetst worden.

In het wetsvoorstel valt te lezen dat B en W bevoegd zijn een aanschrijving te doen uitgaan als het uiterlijk “in ernstige mate” met redelijke welstandseisen in strijd is. In “bijzondere, excessieve gevallen” dus, bij “evidente en ook voor niet-deskundigen duidelijk kenbare buitensporigheden”. Maar ook stelt het wetsvoorstel dat de welstandscriteria nooit zover mogen gaan dat “reele verwezenlijking van een vergunningvrij bouwwerk daardoor ernstig wordt belemmerd”.

Uit oogpunt van transparantie van wetgeving en ter verbetering van de rechtszekerheid van planindieners ware het beter geweest dat het betreffende wetsartikel als volgt had geluid: “Een vergunningvrije bouwactiviteit -ook na plaatsing- is niet aan welstandstoetsing onderhevig, tenzij de gemeente in individuele gevallen achteraf besluit dat dat wel het geval is. De door opdrachtgever/planindiener geleden schade dient door de gemeente volledig te worden vergoed.”

Zittingstermijn

Een sterk persoonsgebonden invulling van het welstandstoezicht werkt willekeur in de hand. De zittingstermijn voor welstandscommissieleden mag daarom maximaal twee jaar met een verlenging van twee jaar zijn, zoals de nieuwe wet voorstelt. Het vereiste in de nieuwe Woningwet dat de te hanteren welstandscriteria toetsbaar geformuleerd dienen te worden door het gemeentebestuur, is een van de elementen die een voldoende waarborg voor continuiteit in het welstandsoordeel van de commissie vormt.

Jan van Rijn

Beleidsmedewerker Bond van Nederlandse Architecten BNA

‘Toetsbaar geformuleerde criteria zorgen voor meer continuiteit dan persoonlijke oordelen’

Voorbeeld van een opstap naar objectievere criteria voor welstand: schetsen hoe in een ‘beeldkwaliteitplan’ mogelijkheden voor een hoekbebouwing kunnen worden getypeerd.

Reageer op dit artikel