nieuws

Architectuur uit Eindhoven

bouwbreed

Wat hebben de architecten Wiel Arets en Sjoerd Soeters met elkaar te maken? Eenvoudig: ze studeerden allebei aan de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Eindhoven en zijn beiden internationaal gevierde architecten. Hun ontwerpen zijn echter totaal verschillend. Volgens de samenstellers van het boek ‘Het verlangen naar architectuur en de beslommeringen van alledag’ is dat typerend voor exponenten van de Eindhovense School: geen overeenkomsten in architectuur, maar wel in aanpak en eigenzinnigheid.

Het boek is een mooi vormgegeven catalogus bij een tentoonstelling in het Architectuur Centrum Eindhoven onder dezelfde titel. Tentoonstelling en boek behandelen vier generaties architecten die tussen 1976 en nu aan de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit in Eindhoven (TUE) hebben gestudeerd.

De term Eindhovense School lijkt er op te duiden dat zoiets bestaat als typisch Eindhovense architectuur, ontworpen door een groep architecten met een duidelijk aanwijsbare verwantschap in idioom. Dat is niet het geval. Als er in de nu 32 jaar oude opleiding in Eindhoven een rode draad zit, is het dat architecten uit Eindhoven “het belangrijk vinden zich op een theoretische wijze met de architectuur bezig te houden en dat ze waarde hechten aan een architectuur met een uitgesproken karakter”. Arets en Soeters voldoen ruimschoots aan beide criteria.

Voorafgaand aan de presentatie van 21 architecten (verdeeld over twintig bureaus), opent het boek met vier essays, steeds geschreven door een woordvoerder van een van de vier generaties studenten. Rudy Uytenhaak, student tussen 1967 en 1973 en generatiegenoot van Soeters, verhaalt onder andere over het belang van de bibliotheek op school. De honger naar voorbeelden van grote meesters uit heden en verleden kon slechts worden gestild door een bezoek aan de bieb. Uytenhaak, later ook hoogleraar aan de TUE: “Architectuur is een kwestie van onbeperkt kijken.”

Invloed

In zijn essay laat de theoreticus Lootsma zien dat de punkbeweging in het Eindhoven van de late jaren zeventig waarschijnlijk net zo belangrijk is geweest als de inspirerende lessen Architectuurgeschiedenis en -theorie van Geert Bekaert. Ook toont hij aan dat de invloed van studenten op elkaar (met de helaas in het boek ontbrekende John Kormeling als beste voorbeeld) vaak groot is. Wortmann, nu redacteur van Archis, behandelt twee leraren die voor hem en zijn generatie van belang zijn geweest: Gerard van Zeijl (opvolger van Bekaert) en Joost Meuwissen. Zij introduceerden het conceptuele denken in Eindhoven.

Koolhaas

De invloed van Rem Koolhaas op de Eindhovense studenten komt ook aan bod. Koolhaas is geen docent in Eindhoven, maar – dankzij de media – de alomtegenwoordige fantoomdocent en, volgens essayist Ector, “op passieve wijze in staat als docent belangrijker te worden dan alle anderen, inclusief de fysiek aanwezigen”.

De essays, verluchtigd met kleurrijke anekdotes, doen het beeld ontstaan dat Bouwkunde in Eindhoven een inspirerende omgeving is om het vak te leren. Minder overtuigend zijn de pogingen van de auteurs het onderwijs deel te laten uitmaken van een groter geheel door allerlei maatschappelijke en architectuurtheoretische thema’s aan te roeren. Is dit een vorm van Calimero-gedrag ten opzichte van de opleiding in Delft?

Het boek roept meer vragen op. Waarom is het uitgegeven? Er is geen aanwijsbare aanleiding. En wat is de doelgroep? De geinteresseerde in het Nederlandse architectuuronderwijs mist bijvoorbeeld de vergelijking met de TU te Delft. Of is Koolhaas ook daar belangrijker voor de tweedejaars dan de eigen leraren? De architectuurliefhebber die het boek aanschaft, krijgt een korte biografie van twintig architectenbureaus en wat foto’s voorgeschoteld, die zonder begeleidende tekst wel heel erg veel aan de verbeelding overlaten. Het lijkt erop alsof de TUE vooral zichzelf op de borst heeft willen kloppen met dit boek, dat het verlangen naar architectuur’ maar gedeeltelijk bevredigt.

Allard Jolles

B. Lootsma (red.): ‘Het verlangen naar architectuur en de beslommeringen van alledag’; uitg. Thoth, Bussum; ISBN 90 6868 163 X; f. 44,50.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels