nieuws

Nieuwe ‘bouwschool’ nodig voor vakopleiding

bouwbreed Premium

Het klassieke vakmanschap in de bouw dreigt verloren te gaan, signaleert Nanning Schotanus. Als remedie heeft de Bouw- en Houtbond FNV een nieuwe vorm van opleiding gelanceerd: de bouwschool. Die moet het weer aantrekkelijk maken voor jongeren om een opleiding in de bouw- en houtsectoren te volgen. Ook voor de jongeren die de bouw nu nog niet als hun voorland zien.

De bouwnijverheid kent van oudsher goede vakopleidingen. Cao-afspraken, landelijke organen zoals Bouwradius en SVS, samenwerkingsverbanden en regionale onderwijscommissies hebben de vakopleiding een stevig fundament bezorgd. Toch is een nieuwe ‘Bouwschool’ nodig.

Waarom deze vernieuwing? Het antwoord is eenvoudig: de tijd staat niet stil en ook in de bouw voltrekken zich allerlei ontwikkelingen waar het bouw-onderwijs op moet inspelen. Ik zal stilstaan bij enkele ontwikkelingen die voor de vakopleiding verraderlijk kunnen uitpakken. Tenzij we bijtijds met een passend antwoord komen.

De opleiding tot vakman – in de klassieke betekenis – staat op de tocht. Kenmerken van het klassieke vakmanschap zijn: brede inzetbaarheid, zelfstandigheid en improvisatievermogen. De klassieke vakman hecht bovendien sterk aan collegialiteit binnen de ploeg en is vooral gewend om met zijn handen te werken. Al doende breidt hij op een informele manier zijn vakmanschap verder uit. De klassieke vakman is voor het bouwproces van onschatbare waarde, maar als we geen nieuwe initiatieven nemen, is hij binnenkort op de bouwplaats een zeldzaamheid en daar is niemand bij gebaat.

Specialisatie

Van de veranderingen die nieuwe initiatieven noodzakelijk maken noem ik er drie.

In de eerste plaats is er in toenemende mate sprake van specialisatie en rationalisatie binnen de bouw. Steigers bouwen, metselen, tegelzetten, ja zelfs het schoonmaken van de bouwplaats, het zijn onderhand allemaal gespecialiseerde deelsectoren geworden binnen de bouw. En ondertussen rukken de zelfstandigen zonder personeel (ZZP’ers) op.

Tegelijkertijd wordt het bouwproces steeds rationeler ingevuld. In technisch opzicht is de nieuwbouw een assemblageproces. In economisch opzicht wint concurreren op prijs het nog altijd van concurreren op kwaliteit. Wanneer we deze scherpe prijsconcurrentie optellen bij de zeer krappe arbeidsmarkt is de som snel gemaakt: de werkdruk op de bouwplaats is zeer hoog. Die werkdruk is nog eens extra hoog, omdat het bouwproces steeds ingewikkelder wordt vanwege de vele onderaannemers en ZZP’ers. De omstandigheden van rationalisatie, specialisatie en werkdruk bieden steeds minder ruimte om op de werkplek het klassieke vakmanschap onder de knie te krijgen.

Begeleiding

De tweede ontwikkeling die de opleiding sterk heeft beinvloed is de invoering van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB). Voorheen was een consulent van een van bovengenoemde landelijk organen de spil binnen de opleiding. Deze hield in de gaten of de opleiding van de leerling-werknemer vorderde. Hij stimuleerde en begeleidde zowel de leerling als de leermeester. Met andere woorden: de consulent was het noodzakelijke smeermiddel om de praktijkopleiding goed te laten draaien.

Sinds het bestaan van de WEB is het regionale opleidingscentrum (ROC) verantwoordelijk voor de pedagogische begeleiding van de leerling. En het bedrijf is verantwoordelijk voor de vakinhoudelijke begeleiding. De WEB heeft de taken voor scholen en bedrijven aanzienlijk verzwaard. Want maatregelen om hen voor die nieuwe taken toe te rusten werden niet genomen. Integendeel. Het aantal consulenten is fors ingekrompen, kennis en capaciteiten zijn verdwenen. De WEB betekent daarmee in de praktijk een verslechtering voor de leerling-werknemer en voor de leermeester.

Aan de samenwerkingsverbanden, in veel gevallen de werkgever van de leerling-werknemers, ligt dat overigens niet. Zij blijken zich over het algemeen redelijk van hun begeleidende taak te kwijten. Maar we moeten bedenken dat veel schilders, grond- en wegenwerkers, machinale houtbewerkers en deelnemers aan de voortgezette opleiding niet in dienst zijn van een samenwerkingsverband, maar van individuele ondernemingen. En daar schiet de begeleiding er dikwijls bij in. De leerlingen bij de samenwerkingsverbanden hebben er wel mee te maken dat de samenwerkingsverbanden steeds zakelijker en commercieler worden. Geld wordt steeds belangrijker. En dat komt de begeleiding niet altijd ten goede.

Beroepskeuze

Ik heb hierboven twee belangrijke ontwikkelingen genoemd: specialisatie en rationalisatie van de bouw enerzijds en de effecten van de WEB anderzijds. Zij hebben geleid tot een verslechtering van het opleidingsklimaat. Met als gevolg dat de leerling-werknemer uiterst weerbaar zal moeten zijn om zich te kunnen handhaven. Ondertussen is er nog een derde ontwikkeling die noopt tot het nemen van nieuwe initiatieven in de vakopleiding. Sinds de invoering van de mammoetwet schuiven leerlingen de beroepskeuze steeds verder voor zich uit en is de voorkeur voor algemeen vormend onderwijs (mavo, havo, vwo) sterk toegenomen. Het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo), vanouds de traditionele toegangsweg naar de vakopleiding, trekt daardoor steeds minder leerlingen. En leerlingen van goede kwaliteit zijn helemaal schaars. De leegloop van het vbo heeft inmiddels zulke vormen aangenomen dat sommige programma’s binnen dit onderwijs op de tocht staan. Schilderen is hiervan een goed voorbeeld.

De overheid wil de weg naar het middelbaar beroepsonderwijs verbreden door de mavo en het vbo samen te voegen tot voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, het vmbo. Het vmbo biedt inderdaad de kans een grotere potentiele doelgroep voor de vakopleiding te bereiken. Maar er zit ook een gevaar aan. Het vmbo zou een verdere veralgemening van het vbo kunnen betekenen.

Bouwschool

De bouw- en houtsectoren staan voor een moeilijke opdracht. Naast de traditionele instroom (de jongen van 16 jaar met een technische bagage) moeten zij ook andere groepen jongeren met een gevarieerde achtergrond zien aan te spreken. Maar dat is niet de enige opdracht. Tegelijkertijd moeten zij de opleidingsomstandigheden verbeteren. En het vergroten van weerbaarheid van de leerlingen is een ander actiepunt.

De bouwschool is een concreet voorstel om de overgang van onderwijs naar de arbeidsmarkt geleidelijker te maken en in te spelen op het uitstel van de beroepskeuze. Met dit voorstel wil de Bouw- en Houtbond FNV de route naar vakmanschap weer aantrekkelijk maken.

De bouwschool heeft alle opleidingen van de sector onder een dak, van assistentopleiding tot middenkaderopleiding. Duidelijk herkenbaar voor de bouw- en houtsectoren en onder de paraplu van het regionale opleidingscentrum. De bouwschool vormt een soepele route naar vakmanschap, aangepast aan de wensen en capaciteiten van de leerling. Deze bepalen de overstap van school naar de praktijk. Sommige leerlingen gaan bijvoorbeeld meteen vier dagen werken en een dag naar school. Andere leerlingen gaan na enkele maanden school de praktijk in. Sommigen worden leerling-werknemer na een jaar. Elke leerling zou aan het begin van de school een diagnose moeten krijgen. Die bevat de sterke kanten van de leerling en de punten die voor verbetering vatbaar zijn. Aan de hand van de diagnose krijgt de leerling een persoonlijk opleidingsplan. Het plan biedt antwoord op vragen als: hoe lang zit ik fulltime op school, wanneer ga ik de praktijk in, wat zijn mijn arbeidsvoorwaarden, wie is waarvoor verantwoordelijk?

De bouwschool beoogt ten slotte ook een nieuw evenwicht te creeren tussen het landelijk opleidingsbeleid en de uitvoering in de regio.

Het is een uitdaging voor iedereen die zich betrokken voelt bij het beroepsonderwijs om mee te denken over de oplossing van de gesignaleerde problemen. Wellicht zijn er betere mogelijkheden. Zolang die niet naar voren komen beschouwt de Bouw- en Houtbond FNV de bouwschool als het beste antwoord op de ontwikkelingen in het huidige bouw-onderwijs.

Reageer op dit artikel