nieuws

Tijd, ruimte en architectuur in de Hoeksche Waard

bouwbreed

Direct ten zuiden van Rotterdam ligt de Hoeksche Waard, een grotendeels agrarische polder. Maar de druk van verstedelijking neemt toe. De vraag is niet of de Hoeksche Waard zal verstedelijken maar hoe en wanneer. Het festival AIR Zuidwaarts neemt de komende maanden die vraag onder de loep. Architecten, stedenbouwers, politici en kunstenaars onderzoeken de mogelijkheden van dit gebied.

Tussen Klaaswaal en Westmaas is Het Observatorium gebouwd om te onderzoeken wat de stilte en ruimte van de Hoeksche Waard betekenen. Het is ontworpen door drie kunstenaars, Geert van de Camp, Andre Dekker en Ruud Reutelingsperger. Men kan er 24 uur in afzondering doorbengen. Eerder al ondernamen zij dergelijke experimenten in kunstgaleries; vorig jaar zomer bouwden zij hun eerste observatorium op Staten Island bij New York.

De kunstenaars zijn geinspireerd door het werk van de architect/monnik Dom Hans van der Laan. Volgens diens theorie is de kunstmatige ruimte van de architectuur een noodzakelijke aanvulling op de onbeperkte ruimte van de natuur. Toepassing van ideale maten moet waarborgen dat binnen- en buitenruimte in evenwicht zijn.

De bevindingen van de bezoekers van Het Observatorium worden uit de doeken gedaan op een tentoonstelling vanaf 12 september in Villa Alckmaer in Rotterdam en een discussie-avond in De Unie op 27 september.

Cobouw-redacteur Tom Maas was een van de bezoekers. Hierbij het verslag van zijn etmaal in de Hoeksche Waard.

De eerste aanblik van Het Observatorium is een schok. Ik kom aanrijden tussen boomsingels in een anoniem agrarisch landschap. Ongemerkt echter opent zich een grote ruimte met middenin enkele blokjes – niet groot, maar onverzettelijk als een monument. Allicht spelen mijn gespannen verwachtingen mee. Vierentwintig uur doorbrengen op een onbekende plek, geisoleerd in de Hoeksche Waard – wat staat mij te wachten?

Het is twaalf uur ’s middags en voor het eerst sinds lange tijd schitterend zomerweer. Alleen dat al zorgt ervoor dat ik me uitgelaten voel en vrij. De zon staat hoog in een onmetelijk blauwe lucht, over de vlakke akkers waait een strakke westenwind.

Het Observatorium blijkt te bestaan uit drie blokken, fors van maat en streng van compositie. De ruimte van de akkers rondom is duizelingwekkend, alsof ik aan den lijve voel dat het heelal nog elke seconde uitdijt. Sterk is het contrast tussen deze ruimte en Het Observatorium, dat er onaangedaan bijstaat als centrum van de wereld. Want alles wat je op deze vlakte neerzet wordt direct het middelpunt onder dit hemelgewelf.

Aan de ongenaakbaarheid draagt bij dat de blokken op een vlonder staan, ongeveer een halve meter boven de grond. Twee van de drie blokken zijn paviljoentjes zonder raam; een kamer en een keuken/toilet. Het derde is een rudimentaire colonnade. Als ik de interieurs inspecteer, voel ik mij door het halfduister als met zachte hand naar buiten gedrongen, de zomerdag in.

Ik slenter over een iets verhoogde strook grond achter het ensemble. Met de felle zon erop sluiten de paviljoens zich weer als oesters. De nissen in de wanden van multiplex en de grijs geschilderde vlakken erop vormen een raadselachtig patroon. Aan het eind van de strook gras staat een paal met het in zichzelf gekeerde nummer 17071. In dit soort verlatenheid wordt alles een raadsel, want niets is er ‘zomaar’, zonder bedoeling of natuurlijkerwijs. Mijzelf inbegrepen.

Op de akkers zie ik bieten, aardappelen en graan. Vaag ruik ik uien. Het land ziet er voor alles praktisch uit, efficient. Er zijn weinig wilde bloemen, nauwelijks vogels, een vlinder. De slootkanten zijn steil. Het is een ongenadig ruilverkavelingslandschap.

Terug bij Het Observatorium probeer ik een plek te vinden om een tijdje te zitten. Het is er te winderig en voor mijn gevoel ook te open. Ik breng de ‘meubels’ naar buiten, grote schuimrubber blokken bekleed met ruw grijs doek. Ik probeer er een gesloten hoek mee te maken tussen de paviljoens.

De drie paviljoens vormen samen geen gesloten binnenhof, zoals de inspirator van de ontwerpers, architect/monnik Van der Laan, zelf ongetwijfeld wel gemaakt zou hebben. Ik onderzoek hoe met gesloten hoeken de ruimte tussen de paviljoens verandert. Het is onmiskenbaar dat die hoeken de ruimte vormgeven en verankeren.

Vanaf de jaren twintig hebben moderne architecten precies om die reden de gesloten hoek afgezworen. Zij wilden geen verankering maar dynamiek en maakten bij voorkeur open ensembles zoals Het Observatorium. Openheid die mij mij voortdurend confronteert met de adembenemende ruimte rondom. Dat maakt me rusteloos. Ik probeer met de grijze schuimrubber blokken in allerlei varianten beschutting te creeren.

Ongemerkt ben ik uren aan het spelen met de zware blokken en raak daardoor steeds meer vertrouwd met Het Observatorium. Alle ongenaakbaarheid lost op. De architectuur blijkt het scherp van de snede tussen openheid en geslotenheid; zij scherpt het bewustzijn van de tijdelijke bewoner.

Onder het hemelgewelf dat is gespannen tussen de watertoren van Klaaswaal en de molen van Westmaas blijft alle leven op afstand. Slechts her en der zie ik beweging en ook de geluiden klinken met distantie, los in de ruimte. Soms komt er iemand met een hond tot aan het hek dat op meer dan honderd meter afstand staat. Het zware slot erop schrikt blijkbaar af, want onmiddellijk maakt men rechtsomkeer. Het draagt bij aan het gevoel dat ik me bevind op een onaantastbare plek, zoals gesymboliseerd door het onverzettelijke Observatorium. Alsof architectuur kracht geeft aan die plek.

Naarmate de middag vordert raak ik bedwelmd door die kracht. De vrijheid is onbegrensd. Ik doe, zoals Jan Wolkers ooit op Rottumerplaat, alle kleren uit. Die hebben hun nut en symbolische zin verloren. Ik koester mij in de namiddagzon, in de geur en aangename prikkeling van het gouden korenveld. De wind ruist nog slechts heel zachtjes door de aren. De tijd komt tot stilstand, het leven wordt steeds intenser.

Met dit gevoel vloekt de aanblik van het vouwfietsje. Dat is bedoeld voor de terugtocht, later, naar de bewoonde wereld. Het verdraagt zich slecht met de zuiverende kracht van de architectuur en de ruimte. Het lijkt steeds te wenken dat er haast gemaakt moet worden, dat er beweging moet komen, verstrooiing en vergetelheid in plaats van intens en geconcentreerd leven. Terwijl de zon om Het Observatorium is gedraaid en ter kimme neigt, de wind tot rust komt en architectuur en natuur met elkaar verzoend raken, is het vouwfietsje symbool van een ander, vlietend bestaan, elders.

In de laatste stralen van de zon neem ik een provisorische douche. Nu de dag ten einde loopt wordt de ruimte om mij heen kleiner. Ik trek mijn kleren weer aan als beschutting tegen de avond. Ik zet van de kamer de twee taatsdeuren open, ook die van het keukentje, en ga tegen de pergola aan zitten. De milde zon valt het keukentje en de kamer binnen en ik merk hoe nu ook die ruimte aantrekkelijk wordt. Binnen- en buitenruimte verzoenen zich.

In de lucht verschijnen vegen en veren van wolken. Het hout van Het Observatorium gloeit prachtig op. In de grillige tekening van het hout komt het rood en bruin naar voren, in plaats van het wit en geel onder de middagzon. In de grijze vlakken schemert blauw door. Het is een fier ensemble. Je zou niet zeggen dat het alleen maar multiplex is.

Een boer oogst het graan waar ik nog slechts enkele uren tevoren me gekoesterd heb in de geur en prikkeling van de aren. Ook elders verschijnen nu combines en trekkers – alsof de landbouwers na een siesta de koelte van de avond willen benutten.

Toch blijft het op een vreemde manier stil in mijn Observatorium. Ondanks alle industriele geluiden en drukte hoor ik de vleugelslag van een passerend kwikstaartje. Het Observatorium lijkt een klankkast die dat soort kleine geluiden versterkt.

Terwijl de zon ondergaat begeef ik mij voor het eerst buiten het hek en verlaat mijn magisch domein. Ik loop tussen de akkers door naar een pompstation. Het Observatorium staat bovenop een leidingenstraat. De hele dag is er ethyleen, waterstofgas en gasolie onder mij doorgepompt. Een vreemd idee maar niet voor dit landschap, dat niet mooi is in de klassieke zin van het woord; het is efficient, hard, kunstmatig en zonder poespas. Om te bewerken, niet om naar te kijken.

De muggen komen in zwermen opzetten. Een kikker kwaakt, een hond slaat aan, een laatste verre koe loeit. Het Observatorium wordt een donker silhouet, een geheime plek in een donerige wereld. Een laatste vleug van warmte stijgt op uit het gras – of is het vooral de geur ervan die doet denken aan de warmte van de middag? Alles trekt zich in zichzelf terug. Zelfs de wind valt helemaal stil. De nacht komt op en die is niet meer, zoals de dag, van mij.

De nacht is Het Andere. Andere geluiden komen naar voren. Een heel laag gedreun wordt hoorbaar. De oven van de wereld wordt gestookt in De Grote Stad ver weg.

Ik haal waxinelichtjes uit het keukentje en zet ze neer in drie- en viertallen, op de rand van de vlonder en in enkele nissen. Ik baken een plek af in de nacht, zoals de architectuur dat voor mij deed overdag. Het voelt als een inwijding. Heel katholiek ook, die kaarsjes in deze zware polder, zwaar van klei en zwaar van geloof.

Temidden van deze kring van licht ga ik op mijn rug liggen. De koepel van de nacht is van fluweel waar de volle maan overheen strijkt. De kaarsjes om mij heen zijn een rijm op de lichtkring aan de einder van lantarens en boerderijramen. Nog steeds is deze plek het middelpunt van de wereld.

Als het tegen middernacht te koud wordt, breng ik de lichtjes naar binnen. Ik zet ze door de hele kamer verspreid op de planken. De vlammetjes brengen het interieur tot leven, ze geven de nissen relief. En zie: de eerst ongenaakbare ruimte die me naar buiten drong is een huis geworden, een veilige binnenplaats.

Nog een keer ga ik naar buiten om een ronde te maken, om binnen en buiten tegelijk te ervaren. Nu valt de geur van olieraffinaderijen op, dat weeig zoete. Ook ’s nachts is er dus die vleug van kunstmatigheid over alles heen.

In een roerloze nacht sta ik stil. Verzadigd van een overvloed aan indrukken. Dat ruimte en architectuur zo rijk kunnen zijn! Wat een nuances in dit op het eerste gezicht zo platvloers agrarische land! Als de verstedelijking in de Hoeksche Waard oprukt, kunnen dan deze subtiele schakeringen van dag en nacht, van wind en stilte, geur en kleur dan behouden blijven? Of zorgen stedenbouw en architectuur per definitie voor een verarming? Niet de rudimentaire monumentaliteit van Het Observatorium, zo heb ik ervaren. Die intensiveerde al de nuances van tijd, ruimte en architectuur – al die indrukken laten zich begrijpen als lessen in ruimtelijke ordening.

Is die intense ervaring alleen maar mogelijk in een enclave, een geheime plek die in tijd en ruimte is afgezonderd van de rest van de wereld? Moet daarvoor een gewijde plek worden vrijgehouden zoals mijn kring van waxinelichtjes in de nacht? Misschien was dat vroeger de functie van kerken. Je kon er op elk uur van de dag binnenlopen om naar gene zijde van het vlietende bestaan te stappen, het rijk van de stilte en oneindige ruimte in. In het repertoire van de stedenbouw moet zo’n ruimte van verlossing opnieuw worden uitgevonden; alleen dan is het een verrijking in plaats van verarming. Een nieuw Stonehenge moet worden bedacht.

Het is het holst van de nacht. Ineens uit het niets, in volkomen stilte, scheert een grote vogel over mij heen. En nog eens. Gedragen op grote vleugels. Het is een uil. Geluidloos maakt hij een wijde bocht en gaat zitten op een hoek van Het Observatorium.

De volgende ochtend: eerst mist. Grove strepen van vliegtuigen vlammen op in de lucht. Een haas staart mij aan. Het gras is vochtig. Als het helder is geworden komt over het bietenveld een trekker gif sproeien. Even later scheert een vliegtuigje over en loost wolken gif op de aardappelen. Zo wordt de wereld wakker geschud. Het past bij het landschap, dat gemaakt is om te bewerken. Kunstmatiger kan het niet zijn, toch niet perse lelijk.

Dan is het tijd. Er komt iemand mijn erf opgelopen. Ik ben niet meer alleen. De betovering wordt verbroken. De plek is niet langer mijn plek. De Hoeksche Waard wordt weer wat die voorheen was – een achteloze uithoek, een tussengebied onderweg van Rotterdam naar het Zuiden.

(Er zijn enkele foto’s van Het Observatorium; bijschriften lijken mij niet nodig.)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels