nieuws

Bouwmeester

bouwbreed

Er zijn functies in de bouwnijverheid die me blijven boeien. En dat alleen al door de naam ervan. Neem nou de Bouwmeester. Niet zo maar een: de Rijksbouwmeester.

Het is eigenlijk nog een betrekkelijk jong fenomeen. In 1946 was G.C. Bremer de eerste Rijksbouwmeester. Na hem volgden er nog negen. Sinds 1995 is het Wytze Patijn.

Voor de Rijksgebouwendienst in 1946 zijn intrede deed, werd dit werk uitgevoerd door de Dienst Rijksgebouwen.

Maar als we nog verder terugkijken komen we uit bij de oprichting van een klein bureau voor de Waterstaat op 27 maart 1798. Iets meer dan 200 jaar geleden.

Na de instelling van het Koninkrijk Holland in 1806 werd Waterstaat vanaf 1808 verantwoordelijk voor de landsgebouwen. Voor dat doel werd het jonge koninkrijk opgedeeld in 12 districten met aan het hoofd een inspecteur, bijgestaan door opzichters en ander personeel.

In die eerste jaren was Waterstaat vooral een toezichthoudende instantie. Het personeel ontwierp nauwelijks zelf gebouwen. En als het al gebeurde ging het om sobere, doelmatige en enigszins traditionele ontwerpen. Er werd aangesloten bij de heersende bouwtrant in de eerste helft van de negentiende eeuw, die van het neo-classicisme.

Dat veranderde met de benoeming van de architect Willem Rose tot landsbouwmeester in 1858. Een functie die hij tien jaar bekleedde. Bekende ontwerpen van zijn hand zijn onder andere het hoofdgebouw voor Bronbeek en het niet uitgevoerde ontwerp voor het Binnenhof in Den Haag.

In die tijd vonden forse discussies plaats in het vakgebied. Over ingenieurs van de genie die niet geschikt zouden zijn als architect van belangrijke landsgebouwen..

In het boekje Bouw een Toekomst dat twintig jaar geleden verscheen, vertellen jongeren waarom zij kozen voor een bouwberoep. Een boekje met alle beroepsmogelijkheden. Maar niet hoe je Rijksbouwmeester wordt.

Victor De Stuers wist dat wel. Hij was van 1875 tot 1901 hoofd van de afdeling Kunsten en Wetenschappen van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hij drukte een belangrijk stempel op de ontwikkeling van nieuwe rijksgebouwen. Het door de architect P. Cuypers ontworpen Rijksmuseum in Amsterdam is daarvan een voorbeeld. Het was met een bouwsom van 2 miljoen gulden lange tijd het duurste gebouw van Nederland. De eerste bouwfase liep van 1876 tot 1885. Het Rijksmuseum toont schilderijen van de oude meesters uit de Gouden Eeuw.

Veel duurder is het vorig jaar geopende Guggenheimmuseum in het Spaanse Bilbao. Hier worden 20ste eeuwse kunstwerken getoond, zoals die van Willem de Kooning.

Op het gebied van de architectuur betekende het Rijksmuseum in Amsterdam een stap voorwaarts. Het museum in Bilbao is op zich al een kunstwerk. Als je het Groninger Museum en het Bonnefantemuseum in Maastricht bij elkaar voegt kom je in de richting van het Guggenheim. Het ontwerp is van de architect Frank O. Gehry.

En dat heeft weer niets te maken met onze Rijksbouwmeester.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels