nieuws

Fiscus neemt winstneming onder schot

bouwbreed

Steeds vaker wil de belastingdienst dat aannemers voortschrijdend winst nemen op onderhanden werken en lopende opdrachten. Als u een opdrachtgever in uw lopend boekjaar een werk in gebruik geeft, vooruitlopend op de formele oplevering in een nieuw boekjaar, verplicht de fiscus u tot winstneming. Hoe kunt u dat voorkomen?

Bij het ‘aannemen van werk’ is in verschillende arresten beslist dat op het moment van oplevering de winst moet worden genomen. Bij onderhanden werk moeten in het lopende boekjaar de kosten worden geactiveerd. Maar uit die kosten kan het constante deel van de algemene kosten (CAK) worden geelimineerd en in de Winst en Verlies rekening worden ondergebracht in de periode waarin daadwerkelijk aan het project wordt gewerkt. De winstneming verschuift naar het moment van oplevering in een later jaar. Deze winstneming leidt tot een uitstel van belastingen. Uitgestelde belastingheffing biedt de ondernemer een liquiditeitsvoordeel.

Werkgroep waardering

Binnen de belastingdienst is een werkgroep geformeerd die in een breed kader sleutelt aan het moment van winstneming bij de fiscale waardering van onderhanden werken/lopende opdrachten zowel in de bouwsector als in de dienstverlening (makelaars, ingenieursbureaus, etc.) De fiscale werkgroep trekt een parallel van het jaarrekeningrecht naar de fiscale winstneming.

Bij het jaarrekeningrecht speelde de discussie of een aannemer onderhanden werken commercieel moet waarderen op basis van de CCM (Completed Contract Method) of PCM (Percentage of Completion Method) methode. De winstneming bij CCM vindt plaats op het moment van oplevering – als de contractuele verplichtingen zijn voldaan en het hele gebouw gereed is. Bij de PCM-methode wordt de winst naar rato van de verrichte prestaties per project naar een boekjaar toegerekend.

PCM is een zuiver boekhoudkundige manier van voortschrijdende winsttoerekening die los staat van de praktijk. In een fictief voorbeeld constateert een aannemer dat de fundering van een gebouw 1/10 deel uitmaakt van het bouwvolume van een opdracht. Als de fundering gereed komt, neemt hij rekenkundig alvast 10% van de winst. Maar misschien maakt deze aannemer helemaal geen winst op de fundering en zal de winst moeten komen uit de andere delen van het bouwproject die in een latere fase gereed komen.

In de Richtlijn voor de Jaarverslaggeving van september 1996 is een voorkeur uitgesproken voor de PCM-methode. Dit impliceert bij de commerciele waardering een voortschrijdende winstneming per gerealiseerde fase van een opdracht.

Signaal

De fiscus wil nu deze PCM-methode doortrekken naar het moment van de fiscale winstneming. Los van de jurisprudentie tot nu toe, geeft de fiscus dit signaal af aan de bouwwereld. Stel een aannemer bouwt een gebouw voor f. 600.000. Hij maakt op dat project f. 500.000 kosten en f. 100.000 winst. Op het moment dat bijvoorbeeld f. 250.000 kosten zijn gemaakt eist de fiscus een winstneming van f. 50.000. En in de verdere fasen van het project – iedere keer zodra f. 50.000 kosten zijn gemaakt – een winstneming van f. 10.000.

Fiscaliteit

Jurisprudentie geeft de fiscus nog geen houvast voor het opleggen van voortschrijdende winstneming maar gaat uit van het moment van ‘oplevering’. (Overigens mag een ondernemer wel eerder winst nemen, maar hij zal dit in het algemeen – gelet op de fiscale consequenties – nalaten.)

In februari 1997 besliste de Hoge Raad nog in een zaak waarbij een wegenbouwer voor de aanleg van een asfaltweg aan zijn opdrachtgever driemaandelijkse termijndeclaraties zond. De fiscus wilde dat deze aannemer bij iedere termijndeclaratie zijn winstdeel nam. Maar de Hoge Raad oordeelde opnieuw dat de winst pas moet worden genomen bij oplevering van het hele wegtrace. Daarbij merkte de rechter wel op dat hij aannam dat de termijndeclaraties geen betrekking hebben op de oplevering van ‘gehele werken of zelfstandige delen van de werken.’

Eerder besliste de Hoge Raad in een zaak over de oplevering van een aantal woningen van een project van 179 woningen dat de aannemer wel degelijk over de eerste woningen zijn winst moest nemen en de winstneming niet mocht uitstellen tot de laatste woning was opgeleverd. Woningen zijn dermate zelfstandige entiteiten dat winstneming per huis mogelijk is.

Accent

De fiscus vindt al heel snel dat er sprake is van de oplevering van ‘zelfstandige delen’ van werken. Daarmee probeert de fiscus vervroeging van winstneming af te dwingen. De fiscus redeneert bijvoorbeeld in de wegenbouw bij de aanleg van een weg van 20 kilometer waarbij de aannemer zijn opdrachtgever een termijndeclaratie stuurt bij iedere 2 kilometer: “Mijnheer de aannemer, u stuurt uw opdrachtgever een factuur en laat uw opdrachtgever betalen. U levert weliswaar nog niet op, maar er zouden nu al weggebruikers over dat stuk weg kunnen rijden. Een weg is tenslotte een weg. Het werk dat u heeft afgesproken is uitgevoerd. Wij willen dat u over dat wegtrace uw winst neemt.”

Formeel had de wegenbouwer in dit wegtrace-arrest de weg nog niet opgeleverd maar feitelijk wel in gebruik gegeven. De opdrachtgever wilde namelijk bekijken hoe de weg zich zou houden onder winterse omstandigheden. Daarom was het moment van oplevering uitgesteld. Over dit punt oordeelde de Hoge Raad dat het verschil tussen de materiele en formele oplevering als een garantieperiode moet worden gezien. De fiscus heeft hierop gereageerd dat, indien er sprake is van ‘materiele oplevering’ winst moet worden genomen.

Naar mijn mening heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat de formele oplevering in feite eerder had kunnen plaatsvinden. Met andere woorden: het bloot uitstellen van de formele oplevering kan winstneming niet voorkomen.

Garantieperiode

Ook de bouw kent de garantieperiode tussen een eerste en tweede oplevering van panden en complexen. Volgens de heersende fiscale opvatting moet een aannemer bij de eerste oplevering zijn winst nemen. De geschatte tussenliggende kosten tussen de 1e en 2e oplevering kunnen als garantievoorziening in mindering worden gebracht op het resultaat.

Nu kan je uitgaande van het moment van de materiele oplevering, in een fictief voorbeeld ook stellen dat op het moment dat de fundering van een gebouw klaar is er de facto sprake is van een feitelijke oplevering. Immers de fundering moet in orde zijn om de rest van het gebouw te kunnen realiseren. Een fundering is ook een redelijk zelfstandige entiteit van een project – dus verplichte winstneming.

Ik denk dat zelfs de fiscus deze redenering te ver zal gaan. In ieder geval dreigt bij iedere aannemer het gevaar dat hij een conflict krijgt met de fiscus over het moment van winstneming over onderhanden werken/lopende opdrachten. Dat conflict kan bij een periodieke controle of het vaststellen van een belastingaanslag opduiken.

Maatregelen

Nu is het natuurlijk een economisch gegeven hoe een werk loopt. Hoe kunt u eventueel toch het moment van oplevering beinvloeden?

– U moet voorkomen dat er sprake kan zijn van de oplevering van zelfstandige deelprojecten. Realiseert u zich dat een materiele oplevering u dwingt tot winstneming.

– Zorg bij een materiele oplevering dat u voldoende termijnbetalingen heeft geincasseerd om de fiscale verplichtingen te betalen.

– Plan zorgvuldig de werkzaamheden gekoppeld aan het opleveringsmoment en kijk of u de materiele handelingen van uw werknemers aan een werk over het boekjaar kan heen tillen.

– Plan in overleg met de opdrachtgever het moment van de opnemingen.

Voor vragen over accountancy en belastingzaken kunt u bellen met Mr. Drs. Eugene Romijnders, Sectorgroep Bouw en Onroerend Goed Moret Ernst en Young, Utrecht. Telefoon 030 – 258 81 15.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels