nieuws

Haags rolluiken-beleid (1)

bouwbreed

De gemeente Den Haag voert sinds juli 1987 een wat zij zelf noemt ‘specifiek welstandsbeleid met betrekking tot rolluiken’. Tegenover het belang van winkeliers om door middel van rolluiken hun etalages en winkeldeuren te beschermen tegen braak, stelt Den Haag het aanzien van de stad. Door geheel gesloten rolluiken wordt dat geschaad, vinden de stadsbestuurders, en daarom moet de openheid ervan tenminste 75 procent bedragen. Alleen onder bepaalde omstandigheden mag dat 65 procent zijn. Een en ander is vastgelegd in artikel 9.1 vierde lid van de gemeentelijke bouwverordening.

In het kader van de vernieuwing van de Haagse Vaillantlaan werd nagenoeg de hele straat gesloopt. Ook de panden van een apotheker wiens zaak in het nieuw gebouwde pand op nummer 106 werd gevestigd. Uit beveiligingsoverwegingen vond de eigenaar van de winkel het nodig om aan de binnenkant van de vensters gesloten rolluiken aan te brengen. Alleen al het feit dat er in zijn zaak verslavende geneesmiddelen liggen rechtvaardigde die maatregel,vond de apotheker.

Meldingsplichtig

De gemeente dacht er echter anders over en liet hem dat op 3 augustus 1994 weten. Omdat de man zonder gemeentelijke toestemming meldingsplichtige rolluiken had aangebracht aan de gevel van zijn zaak en daarmee handelde in strijd met de Woningwet, kreeg hij een maand de tijd om de luiken te verwijderen. Deed hij dat niet, zo was het dreigement, dan paste de gemeente bestuursdwang toe; dat wil zeggen verwijdering door de gemeente op kosten van de eigenaar. Die diende direct een bezwaarschrift in en vroeg meteen ook aan de President van de Haagse rechtbank het Haagse besluit te schorsen. De rechter voldeed aan dat verzoek.

Gekozen vertegenwoordigers van de Haagse bevolking toonden zich heel wat soepeler dan B en W. De Commissie Beroep- en Bezwaarschriften van de gemeenteraad kwam niet alleen tot de conclusie dat de rolluiken geen meldingsplichtige bouwwerken zijn, maar ook dat zij uit stedenbouwkundig oogpunt van niet ingrijpende aard zijn. Nu zij als vergunningvrije bouwwerken kunnen worden aangemerkt, hadden B en W dus ten onrechte bestuursdwang aangezegd. Van doorslaggevende betekenis voor haar standpunt was voor de commissie kennelijk geweest dat de rolluiken niet aan de gevel waren bevestigd, omdat zij achter de ramen waren aangebracht.

‘Gevel’

Daar bleek het college anders over te denken. B en W had een andere opvatting over de betekenis die aan het woord ‘gevel’ moet worden toegekend. Nu de rolluiken bovendien niet voldeden aan de redelijke eisen van welstand en het belang bij de handhaving van het rolluikenbeleid groter werd geacht dan het belang van de apotheker, werd zijn bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Het beroep tegen die beslissing werd eind september 1996 behandeld door de Haagse rechtbank. Die besliste in een tussenvonnis dat de Haagse stadsbestuurders ten onrechte van mening waren dat de rolluiken meldingsplichtige bouwwerken zijn. Dat betekende nog niet dat zij vergunningvrij zijn. Dat zouden ze – voor zover hier van belang – zijn als het veranderingen van niet-ingrijpende aard aan een bouwwerk waren. Wat verrassend stemde de rechtbank in met de opvatting van het college dat dit hier niet het geval was en dat rolluiken gewoon vergunningsplichtig zijn. Dat was voldoende basis voor bestuursdwang, hoewel de basis daarvoor niet was gelegd door het dagelijks bestuur van onze Hofstad.

Waren die (bouwvergunningsplichtige!) rolluiken dan niet te legaliseren? Nee, zeiden de rechters want de welstandscommissie heeft een negatief advies uitgebracht en daarom hoeft de gemeente niet alsnog een bouwvergunning te verlenen.

Heeft de gemeente dan in strijd gehandeld met de door haarzelf gewekte verwachting dat de geheel gesloten rolluiken toegelaten zouden worden? Ook daarop was het antwoord negatief. Het niet-reageren op de brief, die de apotheker had gestuurd aan de bouw-wethouder, betekent nog niet dat daardoor een gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij voor wat betreft zijn luiken met rust gelaten zou worden. Bovendien is voor rolluiken een bouwvergunning nodig en die eis kan niet door een gewekt vertrouwen opzij gezet worden, zei de Rechtbank.

Gemeentebibliotheek

Hoe verschillend onze burgerrechtelijke rechters in dat opzicht redeneren dan hun bestuursrechtelijke blijkt wel uit de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Die is interessant genoeg om daaraan een tweede artikel onder dezelfde titel te wijden.

Niet dat de rechtbank Den Haag in het gelijk stelde. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel van de apotheker leidde wel tot vernietiging van het besluit tot toepassing van bestuursdwang.

Wat bleek namelijk? De gemeente paste haar rolluikenbeleid tegenover zichzelf niet toe zoals zij dat wel met dwang wenste te handhaven tegenover ingezetenen. De gemeentelijke bibliotheek aan de Koningstraat had dertig rolluiken die dag en nacht gesloten waren! Het verweer daartegen was vrij armzalig. “Wij hebben aan onze gemeentelijke dienst bibliotheekwerk een opdracht daarover verstrekt.”

Wanneer zij dat hadden gedaan durfden ze zeker niet te zeggen. Het zal in ieder geval geen schriftelijke opdracht zijn geweest, constateerden de rechters, want een afschrift hadden ze niet gekregen.

Dag en nacht

Bovendien had B en W niet eens gereageerd op de brief van de apotheker van 31 januari 1997 (nota bene tweeenhalf jaar nadat die zijn bestuursdwangaanschrijving had gekregen) dat de rolluiken van de bibliotheek nog steeds dag en nacht neergelaten waren. Als je de naleving van een gegeven bestuursopdracht niet afdwingt ben je niet geloofwaardig bezig met je rolluikenbeleid. Dat waren zo ongeveer de bewoordingen waarmee de rechters hun plaatsgenoten-bestuurders een duidelijke veeg uit de pan gaven.

Hoe hun collega’s van de Raad van State dat, zij het op andere grond, nog eens dunnetjes overdeden, leest u in de volgende aflevering over het Haagse rolluikenbeleid.

(BR 1997 p. 1024)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels