nieuws

Zoektocht Rotterdam naar maatschappelijke ondernemer

bouwbreed Premium

Rotterdam zoekt aannemers/ontwikkelaars die zich over moeilijke wijken willen ontfermen. Samen met corporaties, gemeentelijke diensten en bewoners moeten zij gaan werken aan een betere toekomst voor de inwoners van de Maasstad.

Rotterdam zoekt dus ondernemers met een maatschappelijke betrokkenheid. Is dat teveel geeist van een branche, die wordt gestigmatiseerd door de buitenwereld als stapelaars van stenen?

Het collegeprogramma van Rotterdam voor de komende vier jaar heet ‘Met raad en daad’. Als een Amerikaanse verkiezingscampagne trekken wethouders de komende weken de stad door om er met de bevolking en andere belanghebbenden over te discussieren. Uiteindelijk moet het eind dit jaar in de gemeenteraad worden aangenomen.

Een van de programma’s die de wethouder van Volkshuisvesting, Herman Meijer van GroenLinks, moet verdedigen is het opkalefateren van een groot aantal problematische wijken. De Maasstad mag dan geregeld de media halen met glimmende hoogbouw en de Kop van Zuid, maar heeft wel de armste wijken van Nederland binnen haar stadsgrenzen. Vijf gebieden – Delfshaven, Noord, Feijenoord, Charlois en Hoogvliet – zijn aangewezen voor vernieuwing. Nieuw is dat voor elk gebied een manager krijgt die verantwoordelijk is voor de voortgang. De klacht vanuit de bouwnijverheid, corporaties en deelgemeentes is dat de ambtenaren teveel vanaf hun hoofdkantoren op het Marconiplein de stad besturen. Met de komst van de gebiedsmanager moeten stroperige procedures worden vermeden.

De aannemer/ontwikkelaar kan denken van het programma: “Waar maak ik me zorgen over. Het werk komt misschien nu niet naar de markt, maar dan wel over een paar jaar”. Een dergelijke aannemer kan beter direct zijn biezen pakken. Rotterdam wil een ondernemer. Eentje die mee wil doen, maar dan niet voor het makkelijke werk van heien, metselen en weg.

“Rotterdam kent een groot aantal projecten die moeizaam verlopen,” licht Meijer toe. “Wat wij nu gaan doen, is naar het totale gebied kijken waarin zo’n moeilijk project ligt. Van de aannemerij verwacht ik dat zij kennis en kunde inbrengen om zo’n gebied aan te pakken. Er moeten teams komen van corporaties en aannemers die zo gaan werken.”

Op de prangende vraag of hij voorbeelden weet van aannemers/ontwikkelaars die dit in Rotterdam aankunnen, komt hij niet verder dan twee ondernemers.

Naar mijn stellige overtuiging kunnen aannemers die rol aan. In gesprekken tonen ze oprecht belangstelling voor de wijken. De aannemer van het Schie-oeverproject in Spangen zei dat hij alles op ‘alles heeft gezet om het tot een succes te maken’. “Als Rotterdammer laat ik zo’n wijk niet verdringen in zijn problemen.”

Het enthousiasme is er, alleen de organisatie van een bouwbedrijf maakt dergelijke samenwerkingen moeilijk. De werkvloer is bereid de nek uit te steken, maar de rekenmeesters remmen dat af. Het probleem van de sector is dat de marges niet al de breed zijn en met praten en meedenken verdien je geen geld. Voor de rekenmeesters heeft Rotterdam een beloning. Als er goede plannen uitrollen dan zal de overheid de onrendabele top van de investeringen voor haar rekening nemen.

Ook moet werken in binnensteden door aannemers anders worden georganiseerd. Net zoals Rotterdam zijn wijkmanager introduceert, zo ook moeten de aannemers dat doen. Aannemer en ontwikkelaars dienen kenniscentra te zijn van binnenstedelijke vernieuwing. Kennis van bouwen is niet meer voldoende. Van goede ondernemers in de bouwnijverheid mag ook worden verlangd dat ze voldoende inzicht hebben in sociale en economische investeringen.

Vraagt Rotterdam iets onmogelijks? Nee, dat doet de stad zeer beslist niet. Maar met de nadrukkelijke aantekening dat de hier gesignaleerde voorwaarden op z’n minst ter harte moeten worden genomen.

Reageer op dit artikel