nieuws

Omvorming (anticipatie)procedure artikel 19 WRO tot zelfstandige projectprocedure

bouwbreed

In april 1997 heeft de regering het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening’ gezonden aan de Tweede Kamer. Dit voorstel bevat een groot aantal belangrijke veranderingen, maar de belangrijkste wijziging zal de omvorming van de artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), de anticipatieprocedure tot een zelfstandige projectprocedure zijn.

Dit artikel vormt in de praktijk een standaard uitbreiding van de mogelijkheid om te bouwen zonder bouwvergunning vooruitlopend op een nieuw bestemmingsplan.

De Woningwet verbiedt bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning. Op deze wettelijke vergunningsplicht worden in de Woningwet in ieder geval twee uitzonderingen gemaakt. Voor ‘vrije’ bouwwerken en ‘meldingsplichtige’ bouwwerken is namelijk geen bouwvergunning vereist. Bij vrije bouwwerken gaat het bijvoorbeeld om kleine overkappingen en schuttingen. Bij meldingsplichtige bouwwerken gaat het voornamelijk om aan- en bijgebouwen van beperkte omvang. Hiervoor dient wel een melding bij het College van B e W plaats te vinden.

Voor alle bouwwerken die vergunningsplichtig zijn, dient een bouwvergunning te worden aangevraagd bij het B en W van de gemeente waarbinnen het bouwwerk zal worden opgericht. Nadat de aanvraag voor een bouwvergunning in behandeling is genomen, moet het College een inhoudelijk oordeel vellen over de vergunningsaanvraag. De beslissingsruimte van het College is door de wet ingeperkt. In de Woningwet is namelijk precies geregeld wanneer een bouwvergunning moet worden geweigerd.

In strijd met bestemmingsplan

Zo dient een bouwvergunning onder andere te worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het bouwplan moet daarbij worden getoetst aan de bestemming (op de plankaart) en de voorschriften. Strijd met het bestemmingsplan is er bijvoorbeeld indien de bestemming geen bebouwing toelaat. Ook als wel bebouwing is toegestaan, maar niet voor het doel waarvoor het te bouwen bouwwerk kennelijk is bedoeld, is er strijd met het bestemmingsplan.

De Woningwet bepaalt dat bij strijd met het bestemmingsplan de bouwvergunning geweigerd moet worden. In werkelijkheid heeft het College dan wel degelijk beleidsruimte. Deze ruimte is met name te vinden in de keuze om al dan niet vrijstelling te verlenen op basis van de bestemmingsplanvoorschriften of de wettelijke vrijstellingsbepalingen zoals vastgelegd in de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het meest ingrijpend is de mogelijkheid om met toepassing van artikel 19 WRO vrijstelling te verlenen, vooruitlopend op een nieuw bestemmingsplan.

De aanvrager van een bouwvergunning behoeft niet speciaal om toepassing van deze vrijstellingsmogelijkheden te verzoeken. Indien de gevraagde bouwvergunning alleen kan worden verleend na verlening van een vrijstelling, moet het College ervan uitgaan dat de vergunningsaanvraag mede een verzoek om zo’n vrijstelling inhoudt.

Oneigenlijke anticipatie

Door deze vrijstellingsmogelijkheid komt de weigeringsgrond (strijd met het geldende bestemmingsplan) te vervallen, zodat verlening van de bouwvergunning – vooruitlopend op een nieuw bestemmingsplan – mogelijk wordt.

Voorwaarde voor het verlenen van een dergelijke vrijstelling is dat er een voorbereidingsbesluit is of een ontwerp voor een nieuw of te herzien bestemmingsplan ter inzage is gelegd. De aanvrager van een bouwvergunning is daarom afhankelijk van de bereidheid van de gemeenteraad om een voorbereidingsbesluit te nemen.

Verder dienen Gedeputeerde Staten van de provincie een verklaring van geen bezwaar af te geven. Ook moet er rekening worden gehouden met het urgentie-criterium dat in de jurisprudentie is ontwikkeld. Dit betekent dat er voldoende dringende redenen moeten zijn om op het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan vooruit te lopen. Met name moet aannemelijk worden gemaakt dat er dusdanig spoedeisende belangen op het spel staan, dat de reguliere procedure tot herziening van het bestemmingsplan niet kan worden afgewacht.

Algemeen bekend is dat de praktijk op grote schaal werkt met de zogenaamde oneigenlijke anticipatie. Dit betekent dat een gemeenteraad verklaart dat een bestemmingsplanherziening wordt voorbereid, zodat vrijstelling kan plaatsvinden, maar van de beoogde planherziening komt vervolgens niets terecht.

Via deze wijd verbreide praktijk van oneigenlijke anticipatie wordt nu in feite al vaak gebruik gemaakt van artikel 19 WRO als een zogenaamde zelfstandige projectprocedure. Mede gelet op deze praktijk heeft het kabinet de zelfstandige projectprocedure voorgesteld.

Zelfstandige projectprocedure

Het nieuwe artikel 19 WRO zal niet langer eisen dat er een voorbereidingsbesluit is of een ontwerp voor een nieuw of te herzien bestemmingsplan ter inzage is gelegd; per bouwwerk (project) kan vrijstelling worden verleend mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Dat kan een structuurschets of visie zijn.

In ieder geval moet het vrijstellingsbesluit een visie bevatten op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied waarin het project moet passen en de ruimtelijke effecten van het project op de omgeving. Het in de jurisprudentie ontwikkelde urgentiecriterium voor de toepassing van artikel 19 WRO zal niet meer van toepassing zijn. De bevoegdheid tot het verlenen van de vrijstelling zal in plaats van bij het College van B en W, bij de gemeenteraad komen te liggen. Hierdoor zal de noodzaak om tijdig bestemmingsplannen te herzien en aan te passen, verkleinen.

Gevolgen van de omvorming

De omvorming van de anticipatieprocedure tot een zelfstandige projectprocedure zal aansluiten bij de huidige praktijk. Gemeenten zullen op flexibele wijze kunnen inspringen op ontwikkelingen.

Het gevolg of gevaar is echter dat de rol van het bestemmingsplan in de ruimtelijke ordening zal worden verkleind zodat relatief minder aandacht zal worden besteed aan het bedrijven van ruimtelijke ordening in een grotere samenhang. Verder zullen gemeenten niet meer verplicht zijn om bestemmingsplannen tijdig te herzien, en een verouderd bestemmingsplan geeft inzicht noch zekerheid aan grondgebruikers en bewoners van een plangebied over de vraag welke gebruiksveranderingen en daarvoor noodzakelijke bouwwerken via een zelfstandige projectprocedure zullen worden toegestaan.

Of dit het gevolg zal zijn, zal eerst blijken na wetswijziging. Wij houden u op de hoogte.

Dit artikel is geschreven door mrs Chantalle van Goethem en mr Jantine Bos, werkzaam bij Wouters Advocaten te Amsterdam, geassocieerd met Arthur Andersen Belastingadviseurs. De auteurs maken deel uit van de Real Estate Services Group van Arthur Andersen. Bij vragen kunt u hen bereiken onder telefoonnummer 020-5039420

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels