nieuws

Bouwvergunning voor ondergrondse containers

bouwbreed Premium

De Woningwet maakt een aantal uitzonderingen op het algemene verbod om te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders. Uitgezonderd zijn in de eerste plaats de ‘meldingplichtige bouwwerken’ in het Besluit meldingplichtige bouwwerken van 27 april 1992. Een aantal andere vergunningvrije bouwwerken hoeft zelfs niet gemeld te worden.

Daartoe behoort onder andere het zogenaamde straatmeubilair, dat in artikel 43 Woningwet in een adem wordt genoemd met kleine bouwwerken voor openbare voorzieningen, zoals elektriciteitskastjes.

Nu verzinnen onze gemeenten wel eens wat om hun problemen rond het inzamelen van huishoudelijk afval milieuvriendelijker en financieel eerlijker op te lossen. De grijze en groene afvalcontainers die door de meeste gemeenten aan hun inwoners verstrekt zijn, hebben de nadelen van plastic afvalzakken langs de straatkant al goeddeels ondervangen. Betalen per hoeveelheid afval is met containers alleen niet mogelijk. Met een elektronische voorziening op die container kon dat wel worden bewerkstelligd, maar ook daarmee was de kous nog niet af.

Trouw aan de zuinige landsaard deponeerden Oostzaners hun huisvuil ‘gratis’ in andermans container, maar de gemeente Hattem had daar wat op gevonden. Alleen wie over een gemeentelijke ‘toegangskaart’ beschikt kan via een vulmond zijn afval in de ondergrondse containers gooien.

Ongetwijfeld een verbetering van het uiterlijk aanzien van de binnenstad van Hattem, maar mag een gemeente zo maar dergelijke containers in de grond aanbrengen? Ook gemeenten vallen immers onder het vergunningensysteem van de Woningwet. Om die reden heeft een van de centrumbewoners van Hattem zijn gemeente laten weten dat er voor de ondergrondse afvalcontainers een bouwvergunning nodig was.

Belanghebbenden hebben het recht om tegen een bouwvergunning in het geweer te komen. De gemeente Hattem liet echter al na twee weken weten dat de ondergrondse afvalcontainer beschouwd moeten worden als ‘straatmeubilair’ in de zin van de Woningwet.

Nu omschrijft de Woningwet niet wat er onder straatmeubilair moet worden verstaan. Hattem meende ingebouwde containers op een lijn te kunnen stellen met zitbanken of plantenbakken. De halsstarrig volhoudende inwoner was het daar niet mee eens en schreef drie weken later opnieuw dat er een bouwvergunning nodig was, onder verwijzing naar relevante jurisprudentie. De gemeente liet zich niet overtuigen en bleef bij haar standpunt.

Toen deed de Hattemer wat hij direct na het eerste antwoord van de gemeente had moeten doen. Hij diende een bezwaarschrift in, maar was daarmee te laat. De tweede afwijzing had namelijk geen nieuw rechtsgevolg doen ontstaan en daarom was de termijn al na de eerste afwijzende brief gaan lopen. Omdat de gemeente had nagelaten om in haar brieven te wijzen op de mogelijkheid van bezwaar (sommige gemeenten zijn nogal slordig in dat opzicht!) streek de President van de Zwolse rechtbank met de hand over zijn hart en nam hij het bezwaarschrift toch nog in behandeling.

De bezwaarmaker vroeg te bepalen dat Hattem geen gebruik van de containers mocht maken voordat onherroepelijk was beslist op de aanvraag voor een bouwvergunning, danwel dat met die ingebruikneming gewacht zou worden totdat alle bezwaar- en beroepsprocedures afgerond zouden zijn. Zoals u weet kunnen daar jaren mee gemoeid zijn en dat vooruitzicht lokte de President ook niet zo aan. Maar hij kwam er niet onderuit om toe te geven dat de afvalbakken niet onder het begrip straatmeubilair kunnen worden gerangschikt. De bescheiden vulmonden die net boven de grond uitsteken veranderden daar niets aan.

Ook kunnen ze niet worden gerubriceerd als bouwwerken van bescheiden omvang (ten behoeve van het wegverkeer, bijvoorbeeld), of als een van de andere bouwwerken die artikel 43 Woningwet noemt. Omwille van de rechtsbescherming heeft de rechter al meermaals bepaald dat de uitzonderingen die de Woningwet vrijstelt van de vergunningsplicht heel restrictief moeten worden uitgelegd.

Toch kreeg de Hattemer niet zijn zin, althans niet in de gevraagde vorm. De gemeente kon zijn angst voor zwerfvuil namelijk voldoende weerleggen door te wijzen op het signaleringssysteem dat waarschuwt als de bakken vol raken. Hattem beloofde daarnaast dat alert zou worden gereageerd op eventueel zwerfvuil. De vrees van de klager dat zijn pand beschadigd zou raken door het verkeer van ophaalwagens in de smalle steeg waarin hij woont, kon de rechter niet overtuigen. Het gemeentebelang moest hier zwaarder wegen.

De gemeente had een duidelijk belang bij een adequate en voor de betrokken bewoners duidelijke manier van afvalverwijdering, de bezwaarde bewoner slechts een vaag en onzeker belang bij zijn eis. De President volstond dan ook met de vermaning aan Hattem om op zeer korte termijn een bouwvergunning voor de bakken aan te vragen. Maar zij mocht wel de procedurekosten en reis- en verblijfkosten van de eiser betalen!

(BR 1998 p. 514)

Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel