nieuws

Vertegenwoordiger wekt interesse Duitse fiscus

bouwbreed

Steeds vaker zet de Duitse belastinginspecteur vraagtekens achter de onafhankelijkheid van vertegenwoordigers die in de bondsrepubliek de belangen van Nederlandse bedrijven behartigen. Een Nederlands bedrijf hoeft voor een onafhankelijke vertegenwoordiger in Duitsland geen belasting te betalen. Om die reden wordt een vertegenwoordiger al snel ‘onafhankelijk’ genoemd. De Duitse inspecteur verlangt overtuigende bewijzen voor die onafhankelijkheid.

De Duitse belastinginspecteur kwam volgens belastinginspecteur mr. M. Kuhl van Arthur Andersen Eindhoven inmiddels tot enkele ‘zeer vrijmoedige’ interpretaties van het begrip ‘onafhankelijk’. Op een bijeenkomst van de Nederlands-Duitse KvK Dusseldorf legde hij uit dat de Duitse fiscus een Nederlands bedrijf voor een vaste vertegenwoordiger aanslaat wanneer de te voor zijn werk afhankelijk is van de eerste. De vertegenwoordiger moet dan gemachtigd zijn om namens de Nederlandse onderneming overeenkomsten te sluiten. Hij moet dan ook regelmatig gebruik maken van dit recht. Het maakt niet uit of de vertegenwoordiger in Duitsland een juridisch gezien kant en klaar contract naar het Nederlandse bedrijf stuurt of een contract waarop pas in Nederland de laatste handtekening wordt gezet. In al deze gevallen verstuurt de Duitse inspecteur een aanslag. Dat gebeurt niet wanneer de vertegenwoordiger onafhankelijk is of alleen verantwoordelijk is voor de inkoop. Het is overigens niet alleen de Duitse inspecteur die vragen stelt over de onafhankelijkheid van vertegenwoordigers. Ook belastingdiensten in andere landen doen dat steeds meer.

Verliezen

Sinds 1 januari van dit jaar ke Nederlandse bedrijven de aanloopverliezen die Duitse dochterondernemingen veroorzaken met de Nederlandse fiscus verrekenen. Dat kan voor een periode van vijf jaar, gerekend vanaf het moment van verwerving. Gaat het om een filiaal dan kan volgens Kuhl het verlies in Nederland in een keer worden meegenomen. Een filiaal staat gelijk aan een vaste Duitse bedrijfsinrichting van de Nederlandse onderneming. Het betreft bijvoorbeeld een fabriek, werkplaats of een plaats waar leiding wordt gegeven. Bouw- en constructiewerken die langer dan twaalf maanden duren vallen ook onder de definitie ‘vaste inrichting’. Dat geldt niet voor aangehouden opslagruimte, een inkoopkantoor of een plaats waar werk wordt voorbereidt of hulp voor de uitvoering daarvan wordt gegeven.

Bij de vaste inrichting doet zich volgens Kuhl het probleem voor dat het in het geval van de belastingheffing los staat van het hoofdkantoor. Gaat het om de financiering van een Duitse vestiging dan staat de vaste inrichting niet los van het hoofdkantoor. Reserveert het hoofdkantoor een deel van het eigen vermogen als lening voor de vaste inrichting dan is de rente niet aftrekbaar omdat de fiscus de lening als een interne aangelegenheid beschouwt. Gaat het om een lening met vreemd kapitaal dan is de rente wel aftrekbaar. Een Nederlands bedrijf kan met vreemd vermogen een Duitse vennootschap financieren en het kapitaal als eigen vermogen van de vestiging storten. Ook dan kan de rente niet worden afgetrokken omdat de Duitse fiscus de deelnemingsvrijstelling als een netto- en niet als een brutobedrag beschouwd. Die mening botst met de inhoud van internationale verdragen wat aanleiding kan geven tot gerechtelijke procedures.

Lening

Stelt het hoofdkantoor vreemd vermogen als lening beschikbaar aan de vestiging dan kan de rente wel worden afgetrokken. Die mogelijkheid vervalt weer wanneer de lening meer dan drie keer het eigen vermogen bedraagt. Aftrek vervalt ook wanneer de inspecteur van mening is dat het hoofdkantoor het vreemd vermogen specifiek heeft aangetrokken om met het bedrag een Duitse vestiging te financieren. De tijd die tussen aantrekken van het geld en beschikbaar stellen van de lening verloopt lijkt volgens Kuhl een weinig belangrijke rol te spelen. Er zijn gevallen waarin de inspecteur besliste dat kapitaal een half jaar voor het overmaken van een lening specifiek voor dat doel was aangetrokken. Bedrijven die tegen zo’n redenering verweer willen voeren moeten ke aantonen dat de inspecteur de verkeerde conclusie heeft getrokken.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels