nieuws

De Grave akkoord met lichter reintegratieplan

bouwbreed

Staatssecretaris De Grave (Sociale Zaken) ondersteunt voorstellen van de arbodiensten, de sociale verzekeringswereld en werkgevers- en werknemersorganisaties voor een lichtere procedure voor reintegratieplannen. Deze plannen moeten wettelijk na 13 weken ziekte van een werknemer tegelijk met de ziektemelding bij de uitvoeringsinstellingen (uvi’s, in het geval van de bouw het SFB) worden ingediend.

In een brief aan de Tweede Kamer schrijft de bewindsman veel voordelen te zien in een doelmatiger werkwijze rond de reintegratieplannen. De huidige werkwijze leidt ertoe dat het plan tamelijk uitgebreid moet zijn. Dat heeft te maken met de minimumeisen die eraan worden gesteld.

Volgens het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (Lisv), de opdrachtgever van de uvi’s, moet een reintegratieplan zoveel informatie bevatten dat een uvi kan beoordelen of er verzuimbegeleiding nodig is en of reintegratie binnen het eigen bedrijf dan wel herplaatsing elders mogelijk is. Dat heeft te maken met het feit dat als een uvi tot de conclusie komt dat reintegratie niet mogelijk is, zij de verantwoordelijkheid voor de reintegratie naar een andere werkgever overneemt.

In de praktijk blijkt echter dat het overgrote deel van de ziektegevallen van 13 weken en meer leidt tot werkhervatting bij de eigen werkgever binnen het eerste jaar en dus niet tot wao-toetreding. Niet alleen is het in die gevallen dan zonde van de tijd geweest om een uitgebreid reintegratieplan opgesteld te hebben, ook raken de de uvi’s theoretisch ondergesneeuwd onder de ziektemeldingen met plannen. In theorie, omdat in de praktijk het fenomeen reintegratieplan nog niet echt wordt gehanteerd.

In een werkconferentie zijn de betrokken partijen het erover eens geworden dat uvi’s selecties moeten maken welke ziekmeldingen wel en welke minder of geen begeleiding nodig hebben. Die selectie kon op basis van de reintegratieplannen.

Maar juist omdat het overgrote deel van de zieke werknemers toch bij de eigen baas het werk kan hervatten, vinden partijen dat de eerste selectie net zo goed door de werkgever en arbodienst kan worden gedaan.

Voorgesteld is daarom dat als werkgever en arbodienst van mening zijn dat de werknemer binnen bepaalde tijd weer aan het werk kan, slechts een beperkt aantal gegevens aan de uvi kan worden gemeld. Als er twijfel is over mogelijke reintegratie bij de eigen werkgever, dan is een volledig reintegratieplan wel nodig.

Niet bang

De Grave is niet bang dat een dergelijk systeem ertoe zal leiden dat werkgevers en arbodiensten er te snel van uitgaan dat werknemers wel weer aan de slag gaan, om zo de rompslomp van het maken van een reintegratieplan te ontlopen.

“Werkgever, werknemer en arbodienst hebben er immers alle belang bij om, wanneer ze niet zeker zijn van werkhervatting in het eigen bedrijf, zo spoedig mogelijk de uvi in te schakelen opdat een reintegratie-traject kan worden ingezet, gericht op een andere werkgever”, aldus De Grave.

Daarnaast willen de uvi’s statistische informatie opbouwen over de reintegratieprestaties van arbodiensten of (groepen van) werkgevers. De uvi kan zich dan vooral richten op groepen met de hoogste risico’s. In voorkomende gevallen kan ook inzicht worden verkregen in stelselmatig onder de maat werkende arbodiensten, hetgeen uiteindelijk kan leiden tot intrekking van de certificering.

De bewindsman ziet in de voorstellen zoveel voordelen dat hij ze volledig ondersteunt. Op zijn verzoek zullen Lisv en de Branche Organisatie Arbodiensten de voorstellen uitwerken.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels