nieuws

Helden, hofnarren en hersenschimmen

bouwbreed Premium

Vanuit de nok staren portretten van beroemde stedenbouwers neer op bezoekers van het Architectuurinstituut. De titel van de tentoonstelling, ‘De regie van de stad’, suggereert dat zij helden zijn. Zij hebben onze steden gemaakt. Maar hun bevlogen plannen zijn zelden zo gebouwd. Vaak bleven het louter hersenschimmen. En in plaats van regisseur waren stedenbouwers menigmaal hofnar, hun plannen dienden om machthebbers te plezieren.

Om er geen twijfel over te laten bestaan: de tentoonstelling ‘De regie van de stad’ is een schatkamer voor kenners. Met prachtig historisch materiaal wordt getoond welke plannen in deze eeuw zoal verzonnen zijn voor 24 Noord-Europese steden.

Ook de inrichting, ontworpen door de Weense architect Podrecca, is aantrekkelijk. In een bol van acht meter doorsnee worden video’s vertoond over het vak stedenbouw en wat dit vak deze eeuw heeft bijgedragen. Onder een doorzichtige ‘discovloer’ zijn de huidige plannen te zien voor Parijs, de Randstad, het Roergebied en Berlijn. Een maquette van acht bij acht meter geeft een duidelijk beeld van de toekomst van die laatste stad.

Maar – en hier volgt de waarschuwing na al deze lof – je moet wel een bijzonder studieus type zijn om de overvloed aan materiaal te verwerken. De gemiddelde leek zal het alleen met de nodige deskundige toelichting kunnen doorgronden; in het Architectuurinstituut zijn daarvoor, na afspraak, vijf man beschikbaar.

Megalomanie

Aanleiding voor dit overzicht, gericht op het internationale vakpubliek, is de honderdste geboortedag van d6e beroemde Nederlandse stedenbouwer Van Eesteren. De Van Eesteren-Fluck en Van Lohuizen Stichting heeft het benodigde geld verschaft voor een omvangrijk onderzoek, dat onder andere nog nooit vertoond materiaal uit Krakow, Warschau en Kiev opleverde.

Het is onbegonnen werk om een opsomming te geven van alle plannen die te zien zijn. Ze varieren van het eerste tuindorp, het Engelse Letchworth uit 1903, tot een actuele variant daarop, Almere in 1977. Van Van Eesterens eigen Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam (1934), dat trendsettend was door het statistisch onderzoek dat Van Lohuizen ervoor verrichtte, tot de volstrekte hersenschim van de Amerikaanse beeldhouwer Andersen, die in 1912 een ‘Wereld Centrum voor Communicatie’ ontwierp.

Iedereen zal zijn eigen rode draad spinnen uit al dit materiaal, zijn eigen feest der herkenning beleven. Bij de aanblik bijvoorbeeld van de originele map, waarin Tony Garnier in 1904 zijn minutieus uitgewerkte plannen voor een denkbeeldige Cite Industrielle uitbracht; zoveel inspiratie in zo’n simpele kartonnen doos! En hoe ontroerend om Le Corbusiers plan voor een Ville Radieuse, een schematische plattegrond waarin alle functies op het schizofrene af volstrekt gescheiden zijn van elkaar, hoe ontroerend om dit invloedrijke plan op een gescheurd en vergeeld stuk papier te zien! Niet minder treffend zijn de metersgrote prenten tegen de achtermuur van de zaal, waarmee ontwerpers megalomane reconstructies voor bijvoorbeeld Berlijn aan de man brachten.

Het materiaal is te omvangrijk om in een bezoek te overzien. De prachtig uitgevoerde, dubbeldikke catalogus biedt daarbij uitkomst, om alles thuis nog eens nader te bestuderen. Een deel is gewijd aan het historisch materiaal, een ander aan het actuele probleem van regionale planning in Engeland, Frankrijk, Duitsland en Nederland.

Subversieve plannen

Het overzicht maakt duidelijk dat stedenbouwers op alle mogelijke schaalniveaus ‘de regie’ trachten te voeren. Wat ook onmiddellijk in het oog springt is dat van hun regie weinig terechtkomt. Ze hebben wel de pretentie blauwdrukken voor de toekomst te zijn, maar in verreweg de meeste gevallen gaat het stedelijk leven zijn eigen weg. De dynamiek van samenleving en economie is de plannenmakers meestal te snel af: heel andere steden en agglomeraties ontstaan dan ooit was gepland.

Ronduit dramatisch pakt het uit als er wel volgens plan is gebouwd, maar het leven erin problematischer blijkt dan getekend. Spreekwoordelijk voor dergelijke mislukkingen zijn de vele ‘moderniseringen’ van historische binnensteden.

Een andere beschamende categorie missers vormen de plannen van hofnarren en hielenlikkers. Ontwerpers die maar al te graag voorzagen in de wensen van machthebbers, zoals architect Speer Hitler bediende op maat – dus buitensporig – met een plan voor vernieuwing van de Berlijnse binnenstad.

Speer is daarbij een makkelijke schietschijf; dezelfde vraagtekens zijn te plaatsen bij de manier waarop het vak stedenbouw zich heeft vereenzelvigd met de overheid. Was ooit de bouw van de eerste tuinstad particulier initiatief, ten tijde van de bouw van Almere was stedenbouw synoniem met overheidsbeleid.

Het aantal subversieve plannen is praktisch nihil. Een van de voorbeelden is de utopie van Yona Friedman, uit verzet tegen de technocratie ontwierp hij in 1959 een flexibele, zwevende stad. ‘Paris Spatial’ zou op pakweg honderd meter hoogte de stad een nieuwe dimensie geven.

Wetenschap en kunst

Dit soort utopieen, die nog steeds inspirerend zijn om te zien, maar waar natuurlijk geen spaan van terechtkwam, maken stedenbouw tot een tragische kunst.

Hiertegen hebben stedenbouwers zelf getracht zich te verweren door van hun vak een wetenschap te maken. In plaats van de kunstzinnige ruimtelijke verbeelding van steden kwam de ‘survey’, het statistisch onderzoek als basis voor planvorming. De tekeningen veranderden van karakter, het werden stroomschema’s en diagrammen, oppervlaktestaten in plaats van ruimtebeelden.

Achteraf kan worden geconstateerd dat het vooral leek op wetenschap, maar dit nauwelijks waar kon maken. Ontnuchterend was dat het leven menigmaal anders en sterker was dan deze moderne leer.

In die positie bevindt zich de huidige stedenbouw, tussen tragische kunst en gemankeerde wetenschap in. Hoe maakbaar is de samenleving? Het vak is ook onzeker geworden over de overheersende rol van de overheid. Wie moet men dienen: staat, provincie, regio, gemeente, of kan men beter de projectontwikkelaar op zijn wenken bedienen?

Onmiskenbaar is de aandacht voor stedenbouw toegenomen. De tentoonstelling in het Architectuurinstituut is er een bewijs van. Ook kan worden gewezen op de golf aan publiciteit die de Nieuwe Kaart van Nederland teweegbracht, waarop alle bouwplannen voor de komende jaren staan ingetekend. Publiek en beleidsmakers zoeken houvast voor grote beslissingen over de inrichting van het land. Maar ‘De regie van de stad’ werpt de gewetensvraag op in hoeverre het vak daarvoor is geequipeerd.

Bij de opening van de tentoonstelling verweet planoloog prof. Kreukels de huidige stedenbouwers de belangrijke ontwikkelingen in de maatschappij te veronachtzamen. Ze zitten opgesloten in een eigen, architectonisch gekleurd wereldje en begrijpen niets van de werkelijk sturende krachten van economie en regionalisering. In plaats van zich te voegen naar het monopolie van de overheid, zou het vak nieuwe bondgenoten moeten zoeken ten behoeve van een gedifferentieerdere inrichting van het land.

Ook samenstellers van de tentoonstelling Koos Bosma en Helma Hellinga constateren in hun inleidingen bij de twee catalogi dergelijke dilemma’s. De samenleving is niet maakbaar, dat kan aan de hand van deze tentoonstelling nog eens worden geconstateerd, maar wat kan dan nog wel worden ontworpen? Volgens hen accepteert de jongste generatie “blijmoedig”, dat een integrale benadering van de inrichtingsproblemen geen zin meer heeft. Er klinkt in deze constatering twijfel door of de luchtige ideeen van deze generatie over ‘netwerkstad’, ‘tapijtmetropool’ of ‘lichte stedenbouw’ veel om het lijf hebben.

Volgens architectuurhistoricus Auke van der Woud is er sprake van een nieuw ruimtelijk bewustzijn. Het gebruik van de geografische ruimte is zo complex geworden, dat het een oerwoud lijkt; de ruimtelijke ordening van dit oerwoud leidt een eigen leven, woekert volgens nog onbegrepen regels voort. Het is beangstigend en fascinerend tegelijkertijd. Van der Woud ontwaart daarbij toch nog weer een wenkend perspectief voor een baanbrekende rol voor stedenbouwers. “Het hoort bij onze prille kennismaking met de nieuwe dimensie van het ruimtelijk bewustzijn dat de samenleving, – en de ruimte – als chaotisch of potentiele chaos worden ervaren. Maar is chaos niet een ander woord voor complexe orde? Ook die orde moet begrijpelijk, toegankelijk worden gemaakt via onderzoeken en ontwerpen”, aldus Van der Woud.

Blijkbaar is een bestaan zonder ontwerp ondenkbaar. De geschiedenis moet later maar weer uitmaken of de ontwerpen hersenschimmen zijn geweest, en de stedenbouwers helden of hofnars.

De tentoonstelling ‘De regie van de stad’ staat t/m 5 april in het NAi. Op aanvraag worden rondleidingen gegeven voor groepen, met name ook voor scholieren. Op drie zondagen (4 januari, 1 februari en 5 april) zijn er activiteiten voor kinderen. Er is tevens een aantal excursies gepland. Inl.: tel. 010-4401200.

De tweedelige catalogus ‘De regie van de stad – Noord-Europese stedebouw 1900-2000’ is uitgegeven door NAi Uitgevers i.s.m. de EFL-stichting; prijs: f. 149,50 (Engelse editie: f. 165,00); ISBN 90-5662-060-6.

De EFL-lezing van prof. Kreukels is met essays van J. Rodermond, T. Matton, J. Linthorst, M. Hajer en H. van Blerck uitgegeven als ‘Groeten uit Zoetermeer – stedenbouw in discussie’. Uitg. NAi Uitgevers; f. 35; ISBN 90-5662-064-9.

Historicus Vincent van Rossem heeft de beroemde lezing ‘Eine Stunde Stadtebau’ gereconstrueerd, die Van Eesteren in de jaren twintig in Berlijn hield onder de titel ‘Het idee van de functionele stad’; uitg. NAi Uitgevers; f. 45,00.

Stedenbouwer Cornelis van Eesteren bekijkt vanaf een vogelhuisje in de Flevopolder waar hij Lelystad zal gaan bouwen.

Propaganda voor het Algemeen Plan voor de Reconstructie van Moskou uit de jaren dertig. De stedenbouwers grepen rigoureus in onder het toeziend oog van Stalin en secretaris Kaganowitsj van het Centraal Comite die de stedenbouwkundige vernieuwing leidde.

Twee bronzen beelden moesten vanuit zee de toegangspoort vormen voor het World Centre of Communication. Een hersenschim uit 1912 van de Amerikaanse beeldhouwer Andersen. Soortgelijke beelden, op kleiner formaat, voor in de stad zelf had hij al gemaakt, maar de stad is er nooit gekomen.

Reageer op dit artikel